Rekening courant zaakvoerder: gevaren maar ook voordelen ...

Twee bestuurders van het failliete Flexenergie BV, dat handelde onder de naam EnergieFlex, hebben elk een boete opgelegd gekregen van 63.000 euro door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). EnergieFlex bracht onterecht afsluitkosten in rekening bij enkele honderden klanten. [ec]

Twee bestuurders van het failliete Flexenergie BV, dat handelde onder de naam EnergieFlex, hebben elk een boete opgelegd gekregen van 63.000 euro door de Autoriteit Consument & Markt (ACM). EnergieFlex bracht onterecht afsluitkosten in rekening bij enkele honderden klanten. [ec] submitted by Nerevariation to AlgemeenNieuws [link] [comments]

Brief regering aan Tweede Kamer: Onderzoek naar verruiming van de aangifteplicht

Bron: TweedeKamer.nl - Onderzoek naar verruiming van de aangifteplicht
Vandaag gepubliceerd op TweedeKamer.nl, een brief van minister Dekker aan de Kamer, met het resultaat van het onderzoek naar de mogelijkheid en wenselijkheid tot het verruimen van de aangifteplicht van misbruik.
Het is een zeer lijvig document, een paar highlights:

Voor u ligt het onderzoeksverslag naar de argumenten voor en tegen een verruiming van de aangifteplicht van artikel 160 Wetboek van Strafvordering bij ernstig seksueel misbruik en de daaraan gerelateerde strafbaarstelling op het nalaten aangifte te doen van een voorgenomen verkrachting artikel 136 Wetboek van Strafrecht.
[...]
Hoewel het voorliggende onderzoek op zichzelf staat, is het relevant melding te maken van een tweede, ten tijde van het afsluiten van dit onderzoek nog lopend onderzoek: het onderzoek naar de aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. Beide onderzoeken, vinden hun oorsprong in een vanuit de Tweede Kamer uitgesproken zorg over belemmeringen betreffende de aangiftebereidheid bij seksueel misbruik, in het algemeen en binnen religieuze kringen in het bijzonder. In het voorliggende onderzoek is onder meer de algemene wettelijke aangifteplicht bij verkrachting van artikel 160 Sv en de strafbaarstelling van het verzwijgen van een voorgenomen verkrachting beschreven en is de werking daarvan geanalyseerd, mede op basis van kwalitatief empirisch onderzoek, secundair kwantitatief onderzoek en externe rechtsvergelijking. Deze beide wettelijke bepalingen zijn van algemene toepassing en gelden derhalve ook bij seksueel misbruik in kringen van Jehovah’s Getuigen. Dat betekent dat onderzoeksresultaten ter zake van artikel 160 Sv en artikel 136 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op relevantie kunnen worden beoordeeld voor de problematiek betreffende de aangiftebereidheid onder Jehovah’s Getuigen bij seksueel misbruik. Het voorliggende onderzoek is evenwel breder en omvat ook de behandeling van wet- en regelgeving van de sectoren onderwijs en zorg inzake meldplichten bij seksueel misbruik. Deze sectorspecifieke analyse kan wellicht inspiratie bieden voor andere sectoren of groepen, en daarmee mogelijk relevant zijn voor Jehovah’s Getuigen. Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de eigen context, kenmerken, structuren, organisatievorm en gebruiken binnen kringen van Jehovah’s Getuigen.
[...]
De onderzoeksbevindingen wijzen uit dat binnen dit palet van het zoeken naar samenwerking en oplossingen geen meerwaarde wordt toegekend aan een verruiming van de aangifteplicht van artikel 160 Sv als instrument ter bevordering van overdracht van informatie. Hetzelfde geldt voor een verruiming van de strafbaarstelling op het nalaten van artikel 136 Sr. Een dergelijke wetswijziging wordt enkel uit oogpunt van normexplicatie van meerwaarde geacht. Benadrukt wordt dat een strafrechtelijke afdoening deel kan uitmaken van de aanpak, maar dat straffen niet altijd de meest geschikte reactie is op seksueel misbruik. Ook voor een verbreding van de kring van meldplichtigen biedt het onderzoek geen steun. Dat betekent niet dat er geen aanleiding zou zijn om maatregelen te nemen, want die is er wel. Die zouden (vooralsnog) gezocht moeten zijn gericht op het vlak van het versterken en consolideren van de samenwerking tussen de betrokken organisaties. Daarbij is het van belang oog te hebben voor het verschil in handelingsperspectief en daarmee samenhangende beeldvorming. De bij de hulpverlening bestaande beeldvorming dat de focus van politie en het Openbaar Ministerie ligt op het bestraffen van seksueel misbruik behoeft bijstelling. Voorts leeft de gedachte dat de expertise inzake seksueel misbruik vooralsnog in handen ligt van een beperkte kring van gespecialiseerde beroepskrachten, wat de ontdekking van het seksueel misbruik en overdracht van relevante informatie in de weg kan staan. Aangegeven wordt dat niet alleen minderjarigen risico lopen seksueel te worden misbruikt, maar dat ook andere categorieën maatschappelijk kwetsbaren gerede kans lopen slachtoffer te worden. Gegeven de zorg van de beroepskrachten omtrent (potentieel) seksueel misbruik van andere groepen maatschappelijk kwetsbaren dan minderjarigen is er aanleiding tot investeren in de uitwisseling van informatie en (verdere)bevordering van een multi-agency benadering. Niettegenstaande het bestaan van regionale best practices en landelijke beleidsafspraken is er gerede aanleiding om te investeren in multidisciplinaire samenwerking teneinde de uitwisseling van informatie te bevorderen. Een verruiming van de aangifteplicht of een verruiming van de kring van meldplichtigen zullen daar niet aan bijdragen. Daarentegen duidt het onderzoek wel op substantiële steun voor de gedachte dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van (vertegenwoordigers van) organisaties die niet meewerken aan de overdracht van informatie over seksueel misbruik binnen de eigen kring verruimd zou dienen te worden. Zo’n wetswijziging verduidelijkt de normstelling en geeft bestuurders van dergelijke organisaties een wapen in handen richting de achterban: de wet schrijft immers voor dat men gehouden is het seksueel misbruik te melden.
En ook:
Uit bovenstaande volgt dat de soort organisatie waar we hier op doelen niet de organisaties zijn die vallen onder het bestaande publiek(rechtelijk)e toezicht. Dat sluit onderwijsinstellingen en (geestelijke) gezondheidsinstellingen uit. De vraag ziet op het nalaten aangifte te doen door particuliere organisaties waarbinnen het toezicht op het handelen van de leden vanuit de eigen kring wordt georganiseerd. Daarbij moet met name worden gedacht aan kerkelijke gemeenschappen, (bijvoorbeeld de Jehovah’s getuigen) of aan als rechtspersoon geregistreerde particuliere organisaties die ten doel hebben vrije tijdsactiviteiten of anderszins ondersteunende activiteiten te ontplooien ten behoeve van minderjarigen en meerderjarige maatschappelijk kwetsbare personen.
[...]
Waar overigens wel duidelijkheid over is, is dat er steun is voor een verruiming van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van (vertegenwoordigers van) organisaties die weigeren mee te werken aan de overdracht van informatie over seksueel misbruik binnen de eigen kring. Het is voor hulpverlening en politie notoir moeilijk om ingang te krijgen in dergelijke gesloten bastions.
Er lijkt dus (brede) steun te bestaan om (kerkelijke) organisaties die nu nog geen aangifteplicht hebben voor misbruik binnen hun eigen organisatie en weigeren mee te werken met hulpverleners en autoriteiten, strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen.
Uiteraard zal het nog lang duren voordat dit onderzoek ook daadwerkelijk in wetgeving omgezet gaat worden (if ever)....
submitted by anders_andersen to exjg [link] [comments]

De artikelen over Privazorg van Follow the Money en Trouw

Vragen van het lid Kerstens (PvdA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de artikelen over PrivaZorg van Follow the Money en Trouw. (ingezonden 12 augustus 2019)   1 Heeft u kennisgenomen van de artikelen over PrivaZorg van Follow the Money en Trouw? 1) en 2) 2 Bevatten genoemde artikelen voor u nieuwe feiten? Welke zijn dat en zijn die feiten aanleiding tot nader onderzoek en/of aanvullende maatregelen (in de casus PrivaZorg als ook meer algemeen in het kader van het tegengaan van misstanden zoals hier aan de orde)? 3 Wat vindt u ervan dat voor toezichthoudende overheidsorganen in de zorg, relevante gegevens door een ander overheidsorgaan (in dit geval de Belastingdienst) niet met hen zijn gedeeld, waardoor misstanden langere tijd ‘onder de radar bleven’ en miljoenen euro’s aan zorggeld konden worden weggesluisd? 4 Is inmiddels geborgd dat het in bovenstaande vraag aan de orde gestelde zich in voorkomende gevallen niet meer voordoet en relevante informatie dus wordt gedeeld? 5 Indien u de vierde vraag niet onverkort bevestigend kunt beantwoorden, wat zijn dan de belemmeringen (geweest) om een en ander te regelen en bent u bereid (in samenspraak met uw collega’s) alsnog te zorgen dat relevante informatie tussen betrokken overheidsinstanties in voorkomende gevallen vlot en volledig wordt gedeeld? 6 Wat vindt u ervan dat blijkbaar pas na herhaaldelijk aandringen actie is ondernomen op de concrete melding van een klokkenluider, die nota bene behoorlijk wat kennis had van de gang van zaken bij PrivaZorg, als ook dat daarover nauwelijks terugkoppeling naar betrokkene heeft plaatsgevonden? Welke overwegingen hebben daarbij een rol gespeeld? 7 Kunt u zich voorstellen dat het bovenstaande potentiële klokkenluiders ervan kan weerhouden misstanden te melden, waardoor die misstanden langer dan nodig kunnen voortduren en geld dat voor zorg is bestemd niet aan zorg wordt besteed? Hoe borgt u dat meldingen van klokkenluiders voortvarend worden opgepakt? 8 Vindt u het een wenselijke situatie dat zorgbestuurders toezicht houden op zorgbestuurders (zoals in dit geval, waarin de bestuurder van een andere zorginstelling deel uitmaakte van de Raad van Toezicht van PrivaZorg)? Zo nee, wat gaat u er aan doen om dat te voorkomen? 9 Bent u bereid te regelen dat in een Raad van Toezicht van een zorginstelling altijd iemand zitting heeft namens cliënten? 10 Wat vindt u van de wirwar van constructies die PrivaZorg in de loop der tijd heeft opgetuigd? Dragen die naar uw mening bij aan het verlenen van goede zorg of worden er vooral andere ‘doelen’ mee gediend? Bent u bereid aan een en ander paal en perk te stellen? 11 Wat vindt u van de rol van de accountant in dezen? Ziet u aanleiding voor overleg met bijvoorbeeld de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA)? 12 Heeft u zicht op het aantal zorginstellingen dat, nu zorgkantoren en zorgverzekeraars daar in hun inkoopvoorwaarden eisen aan stellen, net als PrivaZorg actie dient te ondernemen rondom de verhouding eigen werknemers/zzp-ers, teneinde een nieuw contract te krijgen? Zo nee, wilt u dan actie ondernemen om dat inzichtelijk te krijgen? Heeft u er zicht op of alle zorgkantoren en zorgverzekeraars deze eisen stellen? Heeft u zicht op het aantal instellingen dat daar niet aan kan voldoen en wat dat uiteindelijk betekent voor het kunnen ontvangen van zorg door cliënten? 13 Kunt u zich voorstellen dat mensen het vreemd vinden dat, bijvoorbeeld door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), in dezen geen aangifte bij het Openbaar Ministerie is gedaan? Wat zijn daarvoor de overwegingen geweest? 14 Kunt u zich voorstellen dat, bijvoorbeeld naar aanleiding van aanvullend onderzoek, alsnog aangifte wordt gedaan? Vindt u dat dergelijk onderzoek, bijvoorbeeld naar de in 2013 plaatsgevonden herstructurering van PrivaZorg, alsnog moet plaatsvinden? Zo ja, gaat u daartoe opdracht geven? 15 Houdt u er rekening mee dat PrivaZorg zoals gesteld ‘op omvallen staat’? Bent u bereid proactief (bijvoorbeeld in coördinerende zin) actie te ondernemen, zodat de continuïteit van zorg voor cliënten bij daadwerkelijk omvallen van PrivaZorg gewaarborgd is? 1) https://www.ftm.nl/artikelen/privazorg 2) https://www.trouw.nl/zorg/overheid-wist-van-financiele-misstanden-bij- thuiszorgorganisatie-privazorg-maar-deed-niets~bb4ea845/
  Datum: 12 augustus 2019   Nr: 2019Z15634   Indiener: John Kerstens, Kamerlid PVDA   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Van Wijngaarden en Remco Dijkstra over het bericht ‘Automobilisten hebben lak aan rode kruizen A16’

Vragen van de leden Van Wijngaarden en Remco Dijkstra (beiden VVD) aan de ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht ‘Automobilisten hebben lak aan rode kruizen A16’ (ingezonden 19 maart 2019, nr. 2019Z05377 )   Vraag 1   Kent u het bericht ‘Automobilisten hebben lak aan rode kruizen A16’? 1)   Antwoord vraag 1 Ja.   Vraag 2   Wat is de status van uw inspanningen om de juridische grondslag te verbreden om dergelijke automobilisten te beboeten dan wel te vervolgen voor hun rijgedrag en de handhaving door onder meer weginspecteurs te intensiveren? Wordt dit geregeld in het aangekondigde wetsvoorstel aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten? Zo ja op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid deze wijziging alsnog in het wetsvoorstel op te nemen?   Antwoord vraag 2   Het negeren van een rood kruis is een paar jaar geleden overgebracht van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften naar het strafrecht. Doordat het negeren van een rood kruis strafrechtelijk wordt afgedaan, kan rekening worden gehouden met recidive waardoor het mogelijk is om een hogere straf op te leggen. Daarnaast kan, als de bestuurder door het negeren van een rood kruis gevaar of hinder veroorzaakt, een straf worden opgelegd op grond van artikel 5 Wegenverkeerswet (WVW). Op overtreding van dit artikel staat een straf van ten hoogste twee maanden hechtenis of een geldboete van maximaal de tweede categorie (€ 4.150,-). Met het wetsvoorstel Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten wordt dit strafmaximum verhoogd naar een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie (nu € 8.300,-). Ook wordt met het wetsvoorstel een nieuwe strafbaarstelling voor zeer gevaarlijk rijgedrag zonder ernstige gevolgen (artikel 5a WVW) voorgesteld. In het voorgestelde artikel is een opsomming opgenomen van gedragingen die in ieder geval als zodanig kunnen worden aangemerkt. Het negeren van een rood kruis maakt hier onderdeel van uit. Het wetsvoorstel ligt ter behandeling in uw Kamer. Momenteel kan er dus al streng worden opgetreden tegen het negeren van een rood kruis en met het wetsvoorstel Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten wordt dit nog strenger.   Vraag 3   Deelt u de opvatting dat urgentie in de aanpak van zogenoemde ‘verkeershufters’ geboden is, nu blijkt dat rode kruizen in toenemende mate worden genegeerd, hetgeen voor weginspecteurs, hulpdiensten of mensen met pech gevaarlijke verkeerssituaties oplevert?   Antwoord vraag 3 Ja, wij delen die urgentie. “Verkeershufters” en/of verkeersveelplegers moeten hard worden aangepakt. Naast het wetsvoorstel Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten dat daaraan zal bijdragen, lopen er verschillende pilots en ben ik bezig met een wetsvoorstel over de Aanpak van rijden onder invloed dat ook bepalingen zal bevatten om verkeersveelplegers harder aan te pakken.   In het kader van een strengere aanpak van bestuurders die rode kruizen negeren, zijn sinds 2015 50 boa’s bij Rijkswaterstaat aangesteld die bevoegd zijn om een bekeuring uit te schrijven voor roodkruisnegatie. Dit aantal wordt in het kader van het programma File-aanpak uitgebreid tot 100 in 2020. Hiermee wordt de pakkans fors verhoogd. Naast de boa’s van Rijkswaterstaat legt ook de politie regelmatig boetes op als rijbanen zijn afgekruist, bijvoorbeeld vanwege ongevallen. Om de pakkans verder te verhogen, zijn er door het OM en de politie een aantal pilots gestart om op meer feiten digitaal te kunnen handhaven. Een van deze pilots ziet op roodkruisnegatie.   Daarnaast worden er ook andere acties genomen om gevaarlijke situaties rond wegwerkzaamheden en het negeren van rode kruizen tegen te gaan. Rijkswaterstaat heeft langs trajecten waarvan bekend is dat regelmatig rode kruizen worden genegeerd bebording geplaatst met een boodschap die gericht is op het tegengaan van dit onwenselijk gedrag van weggebruikers. Ten slotte loopt er een pilot om te onderzoeken op welke wijze met meer flexibele handhavingsmiddelen kan worden gecontroleerd op het overschrijden van de maximumsnelheid bij wegwerkzaamheden en is het handhaven van de maximumsnelheid bij wegwerkzaamheden een belangrijk item van de politie. De locaties waar wordt gehandhaafd worden in samenspraak met Rijkswaterstaat bepaald. Ook dit moet bijdragen aan de veiligheid van onder meer weginspecteurs en personen die wegwerkzaamheden verrichten.   Vraag 4   Welke mogelijkheden zijn er om lopende inspanningen en pilots te versnellen in het belang van de verkeersveiligheid?   Vraag 5   Bent u bereid op korte termijn een tussentijdse appreciatie naar de Kamer te sturen van de pilot om buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) als weginspecteurs flitscontroles te laten uitvoeren?   Vraag 6   Bent u in beginsel bereid alle boa-weginspecteurs, nadat zij de daarvoor benodigde training en instructies hebben gekregen, de bevoegdheid te geven mobiele flitscontroles te laten uitvoeren? Zo ja, met ingang van wanneer? Zo nee, waarom niet?   Antwoord vragen 4, 5 en 6   Wij begrijpen uw vragen zo, dat deze betrekking hebben op de pilot die ziet op de digitale handhaving van het negeren van rode kruizen. Deze pilot bestaat uit twee delen: handhaving met behulp van een vaste camera en handhaving met behulp van een mobiele opstelling. Ten aanzien van de handhaving met behulp van een mobiele opstelling is er tussen het OM en Rijkswaterstaat gesproken over de mogelijkheid om door middel van een camera op auto’s van weginspecteurs te handhaven. Het voordeel van deze variant is dat de auto’s van weginspecteurs vaak staan bij rijbanen die door middel van een rood kruis zijn afgesloten. Een nadeel betreft de veilige werkomstandigheden van weginspecteurs/boa’s. Hulpverleners krijgen in toenemende mate te maken met agressie. Een weginspecteuboa zit altijd alleen in de auto. Dat is een reden om terughoudend te zijn met het plaatsen van handhavingscamera’s op de auto’s van weginspecteurs/boa’s. Een ander groot nadeel van een op de auto aanwezige handhavingscamera is dat daarmee de primaire rol van de weginspecteur als hulpverlener in het gedrang komt. Hulpverlening en gastheerschap staan voor de weginspecteurs voorop en de rol als boa mag niet dominant worden. Weginspecteurs gaan primair als gastheehulpverlener de weg op, en pas op het moment dat ze een overtreding constateren, kunnen ze als boa optreden. Bij een permanent op de auto van de weginspecteur aanwezige handhavingscamera verschuift de rol van weginspecteur van hulpverlenegastheer naar die van boa terwijl de weginspectie de primaire taak dient te zijn.   Gelet op de genoemde nadelen geniet het installeren van handhavingscamera’s op de auto’s van weginspecteurs niet de voorkeur. De pilot met behulp van een mobiele opstelling is om deze reden niet van start gegaan.   1) NOS.nl, 15 maart 2019, 'Automobilisten hebben lak aan rode kruizen op A16' (https://nos.nl/l/2275992);   VERTROUWELIJK  
  Datum: 11 juni 2019   Nr: 2019D24105   Indiener: F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Het bericht ‘Banken dreigen rekening Haga Lyceum te blokkeren’

Vragen van het lid Rudmer Heerema (VVD) aan de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over het bericht ‘Banken dreigen rekening Haga Lyceum te blokkeren’ (ingezonden 10 juli 2019)   Vraag 1 Bent u bekend met het bericht ‘Banken dreigen rekening Haga Lyceum te blokkeren’? 1) Vraag 2 Klopt het dat scholen in Nederland de middelen van de lumpsum op een buitenlandse rekening kunnen ontvangen? Indien dit mogelijk is, kunt u er dan voor zorgen dat deze mogelijkheid geschrapt wordt, zodat middelen van de lumpsum alleen nog op een Nederlandse rekening ontvangen kunnen worden? 1) https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/banken-dreigen-de- rekeningen-van-het-haga-lyceum-en-zijn-bestuurders-te-blokkeren~b8664642/
  Datum: 10 juli 2019   Nr: 2019Z14918   Indiener: Rudmer Heerema, Kamerlid VVD   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Groothuizen over de benoeming van een bestuurder bij FPA Roosenburg

  Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.   Hierbij zend ik u de antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Groothuizen (D66) over de benoeming van een bestuurder bij FPA Roosenburg (ingezonden 7 mei 2019).   De Minister voor Rechtsbescherming,   Sander Dekker   Antwoorden op Kamervragen van het lid Groothuizen (D66) aan de minister voor Rechtsbescherming over de benoeming van een bestuurder bij FPA Roosenburg (2019Z09088)   Vraag 1   Kent u het bericht ‘Topbaan na geblunder’?   Antwoord:   Ja.   Vraag 2   Op welk moment was bij u, de in het bericht genoemde benoeming van de voormalig directeur Zorg en Behandeling van de Penitentiaire Inrichting (PI) in Vugt tot bestuurder bij Fivoor, bekend?   Antwoord:   Op 30 november 2018 heeft Fivoor deze benoeming bekend gemaakt.   Vraag 3   Waarom heeft u de Kamer niet actief over deze benoeming geïnformeerd? Hoe beoordeelt u de keuze de Kamer hierover niet actief te informeren op dit moment?   Antwoord:   Uw Kamer wordt in zijn algemeenheid niet actief geïnformeerd over benoemingen van bestuurders bij forensische instellingen. Na de bekendmaking door Fivoor was deze informatie openbaar.   Vraag 4   Hoe beoordeelt u de genoemde benoeming, in het licht van de noodzakelijke cultuurverandering in de Forensische zorg? Bent u van mening dat het voor het bereiken van veranderingen beter kan zijn voor meer diversiteit te zorgen bij bestuurders in de Forensische zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dat standpunt tot deze benoeming?   Antwoord:   Er is inderdaad een omslag in doen en denken nodig in de forensische zorg. Bij de onderdelen die onder het ministerie van Justitie en Veiligheid vallen kan daarop mede worden gestuurd door individuele benoemingen. Bij particuliere instellingen ga ik niet over het personeelsbeleid, maar stuur ik in plaats daarvan op de te leveren kwaliteit en prestaties. Ik zie strak toe op de kwaliteit van de geleverde zorg. Daar waar deze prestaties onder de maat zijn kan worden ingegrepen. Dit kan er toe leiden dat zorg elders wordt ingekocht.   Deze omslag vergt echter meer dan het sturen op benoemingen of prestaties. Het gaat om een omslag in het dagelijks denken en doen van de professionals en bestuurders op alle niveaus in de forensische zorg. Deze omslag zal ook en vooral moeten worden gerealiseerd met de mensen die al in de forensische zorg werkzaam zijn. Daarom werk ik samen met de brancheverenigingen, het gevangeniswezen, de Taskforce Veiligheid en Kwaliteit en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan een meerjarig programma om de gewenste cultuuromslag in de sector te realiseren.   Vraag 5   Hoe verhouden uw uitspraken “voor beter personeelsbeleid, voor het rekruteren, het aantrekken van goede mensen, waarbij er óók meer oog is voor de veiligheid en voor de risico's. Dus dat is wel degelijk iets waaraan ik werk" zich tot de benoeming van de voormalig directeur Zorg en Behandeling van de PI in Vught als bestuurder bij Fivoor?   Antwoord:   Deze uitspraken hebben betrekking op de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg 2018-2021. Daarin zijn met de sector afspraken gemaakt die de kwaliteit en veiligheid in de forensische zorg weer op peil moeten brengen. Onderdeel van deze overeenkomst is de arbeidsmarktcampagne en het opleidingsprogramma voor de gehele forensische zorg.   Voor de benoeming bij Fivoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.   Vraag 6   Waarom heeft u geen zeggenschap over de benoeming bij organisaties als Fivoor? Hoe beoordeelt u dat, in het licht van uw opgave in de forensische zorg?   Antwoord:   Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.   Vraag 7   Hoe gaat u uw belofte “weldegelijk” iets te doen aan de “culturele dimensie” bij de forensische zorginstellingen uitvoeren als u kennelijk geen invloed uit kunt oefenen op wie er benoemd wordt bij, in ieder geval, particuliere forensische zorgaanbieders?   Antwoord:   Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 4.   Vraag 8   Heeft u, ondanks uw onmogelijkheid formele invloed op dergelijke bestuursbenoemingen uit te oefenen, informele invloed uitgeoefend? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet en heeft u dat wel overwogen?   Antwoord:   Zoals ik in het antwoord op vraag 4 heb gesteld stuur ik bij particuliere instellingen op de te leveren kwaliteit en prestaties. Overigens merk ik op dat de bekendmaking van de benoeming ruim voor het ontvangen van de wederhoorversie van de OVV-rapportage door mijn departement heeft plaatsgevonden.   Vraag 9   Kunt u concreet en specifiek de situatie omschrijven waarin de gewenste cultuuromslag, of de voortgang daarin, mede door deze benoeming niet toereikend is en daarom bij u tot de beslissing zal leiden het inkoopcontract forensische zorg met deze zorgaanbieder te ontbinden? Kunt u eenzelfde omschrijving geven voor het geval dat u het inkoopcontract niet langer verlengt? Zo nee, waarom niet?   Antwoord:   Ik reken instellingen voor forensische zorg af op de overeengekomen prestaties. Ongeacht wie er in het bestuur zit, ben ik altijd kritisch op de veiligheid en de kwaliteit van de zorg in instellingen voor forensische zorg. De inspecties houden hier toezicht op.   Vraag 10   Zijn er nadere regels gesteld over de inhoud van dat inkoopcontract ten aanzien van “beter personeelsbeleid, voor het rekruteren, het aantrekken van goede mensen, waarbij er óók meer oog is voor veiligheid en voor risico’s?” Zo nee, ziet u naar aanleiding van uw belofte tijdens het debat, waarnaar in vraag vijf verwezen wordt, in samenhang met deze recente bestuurdersbenoeming Fivoor reden dit alsnog te doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?   Antwoord:   In de inkoopcontracten zijn afspraken gemaakt over het leveren van goede zorg. In de Meerjarenovereenkomst Forensische Zorg zijn met de sector afspraken gemaakt die de kwaliteit en veiligheid in de forensische zorg weer op peil moeten brengen. Onderdeel hiervan is de arbeidsmarktcampagne en het opleidingsprogramma voor de gehele forensische zorg. Daarnaast zal ik de benodigde cultuuromslag ook terug laten komen in de afspraken met de instellingen over de te leveren kwaliteit en prestaties.   Daar waar prestaties onder de maat zijn kan worden ingegrepen. Dit kan er toe leiden dat zorg elders wordt ingekocht.   Vraag 11   Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden?   Antwoord:   Ja.   Vraag 12   Kunt u elke algemene vraag voorzien van een algemeen antwoord over de volle breedte van de vraag en elke specifieke vraag van een zo specifiek en nauwkeurig mogelijk antwoord?   Antwoord:   Ja.   Vraag 13   Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?   Antwoord:   Ja.   VERTROUWELIJK  
  Datum: 13 juni 2019   Nr: 2019D25010   Indiener: S. Dekker, minister voor Rechtsbescherming   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Amendement van het lid Van Dam 35086-8 over meewegen alcohol- en middelengebruik

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:   I   In artikel I, onderdeel A, wordt het voorgestelde artikel 5a als volgt gewijzigd:   Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.   Er wordt een lid toegevoegd, luidende:   2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt mede in aanmerking genomen de mate waarin de verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid.   II   In artikel I, onderdeel B, onderdeel 1, wordt in het voorgestelde eerste lid “artikel 5a” vervangen door “artikel 5a, eerste lid,”.   III   In artikel I, onderdeel F, wordt “5a” vervangen door “5a, eerste lid,”.   Toelichting   Het amendement strekt ertoe om in een tweede lid bij het voorgestelde artikel 5a te bepalen dat alcohol- en middelen gebruik door de rechter expliciet wordt betrokken bij de vaststelling dat sprake is van roekeloosheid. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat zeer gevaarlijk verkeersgedrag dat plaatsvindt terwijl de bestuurder onder invloed verkeert, een zeer afkeurenswaardige factor vormt.   Deze factor is niet opgenomen in de opsomming van gedragingen in artikel 5a, eerste lid, omdat het op zichzelf geen gedraging betreft. Het gaat hier om een omstandigheid waaronder het verkeersgevaarlijke gedrag plaatsvindt maar die wel mede bepalend is voor de ernstige mate waarin de verkeersregels worden geschonden.   De rechter zal bij de beoordeling rekening moeten houden met de mate waarin sprake was van overschrijding van artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en hierover rekenschap afleggen in het vonnis. Het gaat erom dat het besturen van een motorrijtuig terwijl iemand ernstig onder invloed is, zwaar weegt bij de beoordeling van het gevaarlijke rijgedrag. Anders dan in de strafverzwaringsgrond die is opgenomen in artikel 175, derde lid, WVW is het weigeren van een blaas- of bloedtest hier niet genoemd omdat een dergelijke weigering geen invloed heeft gehad op het voorafgaande roekeloze rijgedrag.   Van Dam
  Datum: 13 juni 2019   Nr: 35086-8   Indiener: Chris van Dam, Kamerlid CDA   Voor:    ...   Tegen:  ...   Besluit:  ...   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Schonis en Bergkamp over het artikel 'Vrouwen kunnen niet autorijden en dit is waarom'

  Geachte voorzitter,   Bijgaand stuur ik u de antwoorden op de vragen van de leden Schonis en Bergkamp (beiden D66) over het artikel ‘Vrouwen kunnen niet autorijden en dit is waarom’.   Vraag 1   Kent u het artikel ‘Vrouwen kunnen niet autorijden en dit is waarom’?   Antwoord 1   Ja.     Vraag 2   Bent u ermee bekend dat auto’s ontworpen zijn voor mannen en dat vrouwen 47 procent meer kans hebben op zwaar letsel en zelfs 17 procent van de vrouwen meer kans hebben op overlijden dan mannen bij een auto-ongeluk?   Antwoord 2   Ik ben niet bekend met deze cijfers. Auto’s worden ontworpen voor alle bestuurders, niet alleen voor mannen. Auto’s moeten veilig zijn voor alle bestuurders, inzittenden op zowel de voor- als achterbank en voor de overige verkeersdeelnemers.   Vraag 3   Kunt u toelichten waarom er decennialang geen gegevens zijn verzameld over de veiligheid van vrouwelijke bestuurders in autotests?   Antwoord 3   Wereldwijd worden er al jaren cijfers verzameld over risico’s en analyses gericht op vrouwelijke bestuurders. Van alle rijbewijsbezitters is ongeveer 45.5% vrouw. Grofweg een kwart van de autododen is vrouw. In de statistieken van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) staat nadere informatie over risico’s en doden per reizigerskilometer. Relevant is in dit verband hoeveel kilometers vrouwen afleggen in auto’s vergeleken met mannen. De vervoerswijze auto uitgesplitst naar geslacht is immers wel bekend: mannen rijden beduidend meer kilometers dan vrouwen. Het overlijdensrisico voor mannen in een auto ten gevolge van een verkeersongeval is mede daarom ongeveer 60% hoger dan voor vrouwen.   Het risico op letsel voor jonge mannen (18-24 jaar) is 5 keer zo hoog als het letselrisico voor jonge vrouwen. Er is geen statistisch relevante data met betrekking tot verschillen in letselernst tussen vrouwen en mannen na de botsing, omdat er te weinig ongevallen gebeuren waarbij alle andere factoren die mogelijk van invloed zijn, identiek zijn (zelfde snelheid, zelfde karakteristieken van de man en de vrouw betrokken bij het ongeval).   Vraag 4   Deelt u de mening dat auto’s ook ontworpen moeten worden met de veiligheid van vrouwen op het oog?   Antwoord 4   Zie het antwoord op vraag 2.   Vraag 5   Gezien het feit dat in de EU vrouwen niet enkel op de passagiersstoel, maar juist ook zelf achter het stuur zitten, bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het verplichten van veiligheidstesten met zowel een mannelijke als een vrouwelijke dummy? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 5   De verplichte testen met de huidige dummy zijn zeer representatief voor zowel ‘gemiddelde’ mannen als ‘gemiddelde’ vrouwen. Vanzelfsprekend is niet iedereen gemiddeld: Daarom wordt al in verschillende testen (waaronder bijv. door Euro NCAP) ook gebruik gemaakt van een dummy die een kleine vrouw representeert.   Vraag 6   Bent u bereid om in gesprek te gaan met de Rijksdienst Wegverkeer (RDW), verantwoordelijk voor de toelating van voertuigen op de Nederlandse markt, over het betrekken van de veiligheid van de vrouw bij toelating van voertuigen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 6   De RDW is al decennia lang betrokken bij de wetgeving en testen rondom de toelating van voertuigen en bij de Nederlandse inbreng rondom de ontwikkeling van dummies. Daarbij wordt, zoals hierboven aangegeven, al rekening gehouden met vrouwen.   Vraag 7   Kunt u toelichten of u bereid bent maatregelen te nemen in nationaal en Europees verband om de 'data gender gap' te dichten op het gebied van autoveiligheid voor vrouwen?   Antwoord 7   In het antwoord op vraag 3 is aangegeven welke gegevens beschikbaar zijn en wat de risico’s voor vrouwen en mannen in het verkeer zijn. Ik zie op dit moment geen aanleiding om maatregelen te nemen.   DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,   drs. C. van Nieuwenhuizen Wijbenga
  Datum: 25 april 2019   Nr: 2019D17649   Indiener: C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Gewijzigd amendement van het lid Snels ter vervanging van nr. 13 over in het bezoldigingsverslag betrekken hoe bestuurdersbezoldigingen in het bezoldigingsbeleid passen

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:   In artikel I, onderdeel D, wordt in artikel 135a, vijfde lid, na onderdeel c   een onderdeel ingevoegd, luidende:   ca. een toelichting op de wijze waarop in het bezoldigingsbeleid   rekening is gehouden met:   1°. de identiteit, missie en waarden van de vennootschap en de   daarmee verbonden onderneming;   2°. de bezoldigingsverhoudingen binnen de vennootschap en de   daarmee verbonden onderneming;   3°. het maatschappelijk draagvlak.   Toelichting   Het voorgestelde artikel 2:135a, lid 5, BW stelt vereisten aan de inhoud van het bezoldigingsbeleid. Dit amendement voegt een extra vereiste toe dat tot doel heeft het bezoldigingsbeleid meer «stakeholder»-georiënteerd te maken. Geregeld wordt dat in het bezoldigingsbeleid voortaan ook een toelichting moet worden gegeven op de wijze waarop rekening is gehouden met de identiteit, missie en waarden van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, met de interne bezoldigingsverhou- dingen van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming en met het maatschappelijk draagvlak. Op grond van het voorgestelde artikel 2:135b, lid 4, onderdeel c, BW moeten vennootschappen ten aanzien van de bezoldiging van iedere individuele bestuurder in het bezoldigingsverslag onder meer ingaan op de wijze waarop het totale bedrag van de bezoldiging strookt met het bezoldigingsbeleid. In dat kader zou ook moeten worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 2:135a, lid 5, onderdeel ca, zoals dat met dit amendement wordt ingevoegd.   Snels  
  Datum: 28 maart 2019    Nr: 35058-24    Indiener: Bart Snels, Kamerlid GroenLinks
Voor:    CDA 19,   D66 19,   GL 14,   SP 14,   PvdA 9,   CU 5,   PvdD 5,   50+ 4,   DENK 3
Tegen:  VVD 33,   PVV 20,   SGP 3,   FvD 2
Besluit:  Aangenomen met handopsteken
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Kuiken over het bericht dat tarieven in de jeugd-ggz niet kostendekkend zijn

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Kuiken (PvdA) over het bericht dat tarieven in de jeugd-ggz niet kostendekkend zijn (2019Z03889).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Kuiken (PvdA) over het bericht dat tarieven in de jeugd-ggz niet kostendekkend zijn (2019Z03889)   1 Heeft u kennisgenomen van het bericht 'Tarieven jeugd-ggz dekken de kosten niet'? 1)   1. Ja.   2 Deelt u de mening dat het zorgwekkend is dat (gemeten in omzet) de helft van de jeugd-ggz instellingen al gemiddeld 3% verlies had geleden ten tijde van dit onderzoek?   2.   In de tweede helft van 2018 heeft Berenschot in opdracht van GGZ Nederland een kostprijs-benchmarkonderzoek uitgevoerd onder 16 aanbieders van jeugd-ggz. Volgens Berenschot vertegenwoordigen deze aanbieders qua omzet ongeveer de helft van alle jeugd-ggz omzet in Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat in het peiljaar 2017 een meerderheid van de deelnemende jeugd-ggz aanbieders een negatief resultaat realiseert met een gemiddeld verlies van 3,0%.   Bestuurders van aanbieders zijn primair verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van hun organisaties. Het is in een decentraal stelsel aan gemeenten en aanbieders om tot overeenstemming te komen over het reële tarief gegeven de specifieke omstandigheden en wensen. In de Jeugdwet zijn waarborgen opgenomen waarmee gezorgd moet worden dat gemeenten voldoende hoge tarieven hanteren, zodat de kwaliteit van de jeugdhulp van hoog niveau blijft.   Ik vind het belangrijk dat aanbieders zelf een stevig gesprek voeren met gemeenten als zij vinden dat zij het voor het geboden tarief echt niet in staat zijn om de noodzakelijke kwaliteit te leveren. Om aanbieders en gemeenten te ondersteunen bij de inkoop van jeugdhulp heb ik de Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) en het programma Zorglandschap specialistische jeugdhulp van VNG, aanbieders en het Rijk verlengd tot 1 januari 2019.   Vanaf 1 januari 2019 t/m 2021 ondersteunt en adviseert het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ) rond jeugdhulpvernieuwing, het uitvoeren van de transformatieplannen en de inkoop van jeugdhulp. Daarnaast is er sinds 1 januari 2019 een ‘Jeugdautoriteit’. Deze bemiddelt rond de inkoop van jeugdhulp, spreekt gemeenten aan over continuïteitsvraagstukken en bereidt zo nodig bestuurlijke maatregelen voor. Na 2021 zal ik bezien wat er nog aan bemiddeling en ondersteuning nodig is.   Sinds 1 januari 2019 is de geschillencommissie Sociaal Domein operationeel. Deze functioneert op basis van zelfregulering en is opgezet en ingericht door de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor de Jeugd (waaronder GGZ Nederland). Vooralsnog richt de geschillencommissie zich op twee typen geschillen. Ten eerste geschillen tussen gemeenten over welke gemeente verantwoordelijk is voor financiering van jeugdhulp conform het woonplaatsbeginsel. Ten tweede geschillen tussen een gemeente en een aanbieder rond een gesloten inkoopcontract, bijvoorbeeld over het tarief.   3 Bent u het eens met de geponeerde stelling dat de financiële problematiek (tenminste gedeeltelijk) te wijten is aan niet-kostendekkende tarieven? Zo nee, wat denkt u dan dat de kwaaddoener is?   3. Zoals hierboven aangegeven, zijn bestuurders van aanbieders verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van hun organisaties. In een decentraal stelsel is het aan gemeenten en aanbieders om tot een reëel tarief te komen gegeven de specifieke omstandigheden en wensen. In de Jeugdwet zijn waarborgen opgenomen waarmee gezorgd moet worden dat gemeenten voldoende hoge tarieven hanteren, zodat de kwaliteit van de jeugdhulp van hoog niveau blijft.   In haar vierde jaarrapportage (van maart 2018) constateert de TAJ dat diverse factoren een rol spelen bij financiële ontwikkelingen van specialistische jeugdhulpaanbieders. De TAJ vraagt bijvoorbeeld aandacht voor goed opdrachtgeverschap en goed opdrachtnemerschap, meerjarig partnerschap tussen gemeenten en aanbieders, reële tarieven maar ook de noodzaak voor bepaalde aanbieders om de bedrijfsvoering te verbeteren. Dit zijn belangrijke aandachtspunten die ik samen met gemeenten en aanbieders aanpak vanuit het programma ‘Zorg voor de jeugd’.   4 Welke stappen neemt u momenteel om de tariefvaststelling tussen gemeenten en zorgaanbieders te structureren en bevorderen? Hoe worden hierin de jeugd-ggz specifieke variabelen zoals het aantal jeugdigen en de duur van trajecten meegenomen?   4. Gemeenten zullen reële tarieven moeten betalen. Het is in een decentraal stelsel aan gemeenten en aanbieders om tot overeenstemming te komen over het reële tarief gegeven de specifieke context. De Jeugdwet bevat waarborgen om te zorgen dat gemeenten voldoende hoge tarieven hanteren, zodat jeugdhulp van goede kwaliteit blijft.   Onlangs heeft Berenschot in opdracht van GGZ Nederland een handreiking opgesteld die gemeenten en aanbieders van jeugd-ggz handvatten biedt om goed onderbouwde, reële kostprijzen te berekenen en tarieven te bepalen voor de jeugd-ggz producten. Met deze handreiking kunnen gemeenten en aanbieders het goede gesprek voeren om tot reële tarieven te komen.   Een dergelijke handreiking zie ik als een startpunt voor het gesprek tussen gemeenten en aanbieders over de jeugd-ggz. Indachtig het decentrale stelsel is het aan gemeenten en instellingen om tot een vergelijk te komen over het reële tarief in de betreffende regio gegeven de specifieke omstandigheden en wensen. Daarbij is er zeer grote diversiteit is in het jeugdhulpaanbod dat bovendien lokaal sterk verschilt.   Ik vind het belangrijk dat aanbieders zelf een stevig gesprek voeren met gemeenten als zij vinden dat zij het voor het geboden tarief echt niet in staat zijn om de noodzakelijke kwaliteit te leveren. Het OZJ zal hen hierbij ondersteunen waar nodig. Als partijen er samen of met ondersteuning van het OZJ toch niet uitkomen, kan de Jeugdautoriteit bemiddelen bij de inkoop van jeugdhulp. Verder kunnen partijen hun geschil over gesloten contracten, bijvoorbeeld over de tariefhoogte, voorleggen aan de Geschillencommissie Sociaal Domein.   5 Erkent u de serieuze noodzaak van het oplossen van de tariefvaststellingsproblematiek, rekening houdend met het feit dat vier op de tien jeugdzorgaanbieders momenteel in financieel zwaar weer verkeert? 2) Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete nieuwe stappen gaat u nemen om deze problematiek te adresseren?   5. In haar vierde jaarrapportage (van maart 2018) heeft de TAJ de financiële situatie van 100 (boven)regionale specialistische jeugdhulpaanbieders geanalyseerd. De TAJ kwalificeert de situatie als ‘zorgelijk’ voor 40% van de onderzochte aanbieders.   Dit signaal neem ik zeer serieus. Voor de concrete acties verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.   1) https://www.skipr.nl/actueel/id37631-tarieven-jeugd-ggz-dekken-de-kosten-niet.html 2) https://www.bndestem.nl/breda/topman-juzt-weg-om-financiele-problemen~a551df2d/  
  Datum: 23 april 2019   Nr: 2019D17020   Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Segers en Dik-Faber over de ‘Rapportage aan het Comité voor de rechten van personen met een handicap, inzake de eerste rapportage van Nederland’

AH 1193 2018Z23176   Antwoord van minister De Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 16 januari 2019)   Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018-2019, nr. 985   1. Heeft u kennisgenomen van de Rapportage aan het Comité voor de rechten van personen met een handicap, inzake de eerste rapportage van Nederland’ van het College voor de Rechten van de Mens (het College) over de uitvoering van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap?[1]   Antwoord 1 Ja.   2. Wat is uw reactie op zorgen van het College over de snelheid waarmee noodzakelijke aanpassingen worden gedaan om te zorgen dat personen met een beperking kunnen deelnemen aan de maatschappij? Bent u ook van mening dat de implementatie van het VN-verdrag sneller moet? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 2 De rapportage van het College voor de Rechten van de Mens onderstreept het belang van het programma “Onbeperkt Meedoen!” dat ik in juni 2018 heb gelanceerd.[2] Met dit programma wil het kabinet de komende jaren stappen zetten om ervoor te zorgen dat mensen met een beperking merkbaar meer naar eigen wens en vermogen kunnen meedoen met de samenleving.   Ik deel de oproep van het College om zo snel als mogelijk noodzakelijke aanpassingen te treffen om te zorgen dat personen met een beperking zo volwaardig mogelijk kunnen deelnemen aan de maatschappij. Tegelijkertijd constateer ik dat de opdracht waar het VN-Verdrag ons als samenleving voor plaatst, niet in één dag is afgerond.   Uit de verhalen van mensen met een beperking zelf, blijkt dat er op tal van gebieden in het leven nog drempels zijn die het meedoen in de weg staan. Het doel van het programma Onbeperkt Meedoen! is om samen met mensen met een beperking een merkbare verbetering te realiseren en drempels weg te nemen. Mede op basis van de jaarrapportage van het College voor de Rechten van de Mens uit 2017 zijn in dit programma zeven actielijnen gekozen (Bouwen en Wonen, Werk, Onderwijs, Vervoer, Participatie & Toegankelijkheid, Zorg en Ondersteuning en het Rijk als organisatie), om op deze terreinen in de periode 2018 - 2021 concrete resultaten te boeken.   Maar waar op sommige terreinen voor de korte termijn doelen kunnen worden gesteld en concrete stappen kunnen worden gezet, vragen duurzame verbeteringen vaak ook om een langdurig bewustwordingsproces in de gehele samenleving. Het VN-verdrag moet blijvend op het netvlies komen van overheidsinstanties, bedrijven en organisaties. En voor dit proces is ook tijd nodig. Deze constatering sluit ook aan op de bedoeling achter de Wet gelijke behandeling op grond van handicap en chronische ziekte (Wgbh/cz), een belangrijk kader voor de implementatie van het VN-verdrag. Deze wet vraagt van overheden, bedrijven en organisaties om geleidelijk zorg te dragen voor algemene toegankelijkheid.   3. Kunt u aangeven hoeveel gemeenten inmiddels een plan voor lokale inclusie gereed hebben om het VN-verdrag uit te voeren? Heeft u hierbij zicht op de achterblijvers en de redenen waarom zij nog geen plan gereed hebben? Bent u bereid om gemeenten aan te spreken om in lijn met uw programma ‘Onbeperkt meedoen!’ zo snel mogelijk werk te maken van een lokale vertaling van dit programma?   Antwoord 3 Voor het stimuleren en faciliteren van de lokale inclusie-aanpak in het programma Onbeperkt Meedoen! werk ik samen met de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG). De VNG geeft de komende twee jaar een extra impuls aan initiatieven van gemeenten die zich richten op het onbeperkt meedoen van inwoners met een beperking. Dit onder meer door met 25 koplopergemeenten bestaande initiatieven groter en zichtbaarder te maken. Andere gemeenten kunnen hiervan leren en zich laten inspireren. Ook wil VNG de overige gemeenten ondersteunen bij hun stappen naar een inclusievere samenleving.   Hoeveel gemeenten een plan voor lokale inclusie gereed hebben, is op dit moment niet exact bekend bij de VNG. Wel zijn er indicaties. Uit een meting van de VNG en Movisie uit 2017 bleek dat op basis van 94 respondenten rond de 43% van de gemeenten haar lokale opgave heeft vastgesteld, een plan in ontwikkeling heeft, een plan besproken heeft in de gemeenteraad en/of een plan reeds in uitvoering heeft. Ongeveer 50% van de gemeenten zit in de verkennende fase zitten wat betreft het opstellen van een plan voor de implementatie van het VN-Verdrag Handicap. Uit dat onderzoek blijkt ook dat het feit dat gemeenten nog geen vastgesteld plan hebben, niet wil zeggen dat er niet wordt gewerkt aan inclusie in de gemeente.[3] In december 2018 is deze meting onder de gemeenten herhaald. De resultaten hiervan worden begin 2019 door de VNG bekend gemaakt.   De VNG wijst gemeenten actief op de verplichting (vanuit het sociaal domein) om een plan voor lokale inclusie te maken.[4] Zo werkt de VNG samen met ervaringsdeskundigen en beleidsmedewerkers van gemeenten aan het opstellen voor een handreiking Lokale Inclusie Agenda voor alle gemeenten. Deze handreiking verschijnt begin 2019.   4. Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van het VN-verdrag in Caribisch Nederland? Bent u bereid om samen met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een tijdspad op te stellen voor de implementatie van het VN-verdrag in Caribisch Nederland?   Antwoord 4 Momenteel worden de plannen voor de praktische uitvoering van het VN- Verdrag in 2019 met de openbare lichamen in Caribisch Nederland opgesteld. In het voorjaar van 2019 zal de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport u hierover nader informeren.   5. Bent u het met ons eens dat mensen met een beperking in lijn met het VN- verdrag zoveel mogelijk hun beslissingsbevoegdheid moeten kunnen behouden? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om minder ingrijpende maatregelen op te leggen als alternatief voor curatele of beschermingsbewind? Zo nee, waarom niet?   Antwoord 5 Ja, ik ben het ermee eens dat mensen met een beperking zoveel mogelijk hun beslissingsbevoegdheid moeten kunnen behouden.   Als uitgangspunt geldt dat mensen met een beperking op alle terreinen van het leven handelingsbevoegd en handelingsbekwaam zijn (vanaf hun achttiende). Dit is alleen anders als de rechter curatele, beschermingsbewind of mentorschap heeft ingesteld. De gedachte hierachter is dat degenen ten behoeve van wie curatele, beschermingsbewind of mentorschap is ingesteld zonder deze maatregel de noodzakelijke bescherming ontberen. Bijvoorbeeld in geval van zeer ernstige verstandelijke en meervoudige beperkingen (ZEVMB) is evident dat de betrokkene duurzaam niet in staat zal zijn om zijn belangen zelf te behartigen.   Het VN-Verdrag is betrokken bij de totstandkoming van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap die op 1 januari 2014 in werking is getreden (Stb. 2013, 414). Eén van de doelstellingen van deze wetswijziging was dat de beschermingsmaatregelen curatele, beschermingsbewind en mentorschap passend zijn en, waar mogelijk, de zelfredzaamheid van de betrokkene bevorderen. De wetswijziging is na drie jaar geëvalueerd.[5] Uit de evaluatie komt naar voren dat met de wetswijziging effectieve stappen zijn gezet om de beoogde doelen te bereiken. Rechters hebben ervaren dat de wijziging ertoe heeft geleid dat er minder vaak curatele wordt ingesteld. Bovendien zijn veel curatelen omgezet naar beschermingsbewind in combinatie met mentorschap. Rechters oordelen ook positief over de vijfjaarlijkse evaluatie van beschermingsmaatregelen. Aan de hand hiervan besluiten zij dikwijls tot beëindiging of overheveling naar een lichtere maatregel. Ook vertegenwoordigers ervaren het reflectiemoment op de noodzaak tot voortzetting van de maatregel als positief. Verder zijn curatoren, bewindvoerders en mentoren verplicht om waar mogelijk aan zelfredzaamheid van de betrokkene te werken. Uit de wetsevaluatie komt naar voren dat dit met name gebeurt bij bewinden vanwege problematische schulden, met een toename van het aantal opheffingsverzoeken als gevolg. De Minister voor Rechtsbescherming heeft uw Kamer bericht dat hij naar aanleiding van de evaluatie een stakeholderbijeenkomst zal organiseren om inzicht te krijgen in welke uitkomsten van de evaluatie aanleiding zouden kunnen geven tot veranderingen in de praktijk of aanpassing van regelgeving.[6] Hierbij zal ook het College voor de Rechten van de Mens worden betrokken. De bijeenkomst zal in de loop van 2019 plaatsvinden. Daarna zal de minister uw Kamer nader informeren.   Specifiek ten aanzien van de ondersteuning van mensen met problematische schulden kan ik u melden dat de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het conceptwetsvoorstel adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind in voorbereiding hebben. Dit voorstel biedt de rechter de mogelijkheid om alternatieve vormen van ondersteuning door de gemeente af te wegen als hij een verzoek krijgt om een schuldenbewind in te stellen. Het voorstel draagt eraan bij dat mensen met problematische schulden op de meest passende en minst ingrijpende manier worden ondersteund.   6. Kunt u aangeven welke acties inmiddels zijn ondernomen om het onderwijs (met name het regulier onderwijs) meer inclusief te maken?   Antwoord 6 Met de invoering van de Variawet passend onderwijs per 1 augustus 2018 hebben reguliere scholen in het primair en voortgezet onderwijs, in navolging van speciale scholen, meer mogelijkheden gekregen om maatwerk te bieden aan leerlingen die vanwege medische of psychische problematiek tijdelijk of gedeeltelijk geen onderwijs kunnen volgen. Verder is in het programma “Onbeperkt meedoen!” aangekondigd dat de minister voor Basis en Voortgezet Onderwijs en Media met het onderwijsveld in gesprek zal gaan over het verder verbeteren van de toegang tot het onderwijs voor leerlingen met een handicap. Mijn collega start deze dialoogronde op 16 januari 2019. De Kamer wordt in de volgende voortgangsrapportage over het VN-verdrag geïnformeerd over de opbrengsten en de vervolgstappen.   7. Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toegankelijkheid van zorgwebsites en -apps voor mensen met een beperking? Welke maatregelen zijn er genomen om de toegankelijkheid te verbeteren?   Antwoord 7 In het programmaplan Onbeperkt Meedoen! is expliciet aandacht besteed aan het belang van het wegnemen van de digitale drempels die mensen met een beperking in het dagelijkse leven kunnen tegenkomen, juist omdat het waardevol is dat mensen met een beperking zelf (en zonder hulp) online afspraken kunnen maken of online aankopen kunnen doen. Op 1 juli 2018 is het Besluit digitale toegankelijkheid in werking getreden. Daarmee zijn (semi)overheidspartijen ook verplicht om stapsgewijs aan toegankelijkheidseisen te voldoen.   Ook in de zorg neemt de digitalisering toe, bijvoorbeeld met de ontwikkeling van elektronische patiëntomgevingen. Juist bij dit soort innovaties in de zorg is het belangrijk dat deze ook toegankelijk zijn en iedereen er gebruik van kan maken. Daarom heeft het Informatieberaad Zorg, waarin meerdere zorgpartijen samenwerken, op 10 december 2018 besloten om de zogenaamde ‘WCAG standaard voor digitale toegankelijkheid’ ook voor de zorg van toepassing te laten zijn.   De zorgpartijen is verzocht bij eerste gelegenheid (nieuwe website of aanpassing van de website) aan de leverancier te vragen deze richtlijn te gebruiken. De leden van het Informatieberaad rapporteren in juni 2019 hoe toepassing van de richtlijn verloopt. Verder zal er in de komende e-health week, deze maand, ook aandacht zijn voor digitale toegankelijkheid. De Oogvereniging presenteert dan onder andere een handreiking om zorgpartijen op weg te helpen om in hun organisatie werk te maken van digitale toegankelijkheid.   8. Kunt u aangeven op welke wijze gemeenten werken aan het vergroten van de bekendheid met onafhankelijke cliëntondersteuning onder mensen met een beperking?   Antwoord 8 De VNG organiseert sinds 2017 een zogenaamd koploperstraject waarin veertien gemeenten aan de slag gaan met de doorontwikkeling van het beleid ten aanzien van cliëntondersteuning. De eerste tranche is afgerond, medio oktober 2018 zijn in de tweede tranche twaalf gemeenten en twee regio’s van elk ongeveer tien gemeenten actief aan de slag gegaan met vraagstukken rondom cliëntondersteuning. De gemeenten zijn geselecteerd door de VNG, de Koepel Adviesraden Sociaal Domein en Ieder(in).   Het vraagstuk hoe mensen uit de doelgroep het beste kunnen worden bereikt met de functie cliëntondersteuning is een nadrukkelijk aandachtspunt. De VNG zal in 2019 een communicatieaanpak starten die er op is gericht de functie cliëntondersteuning bekender te maken, in het bijzonder onder professionals (huisartsen, zorgverleners, professionals in de toegang en wijkteammedewerkers) die gericht kunnen doorverwijzen naar cliëntondersteuners.   9. Welke maatregelen zijn er inmiddels genomen om te zorgen dat mensen met een rolstoel ook gebruik kunnen maken van buurtbussen, die steeds vaker het reguliere OV vervangen?   Antwoord 9 Doordat in sommige – dunbevolkte - delen van het land reguliere buslijnen niet meer rendabel zijn, worden buurtbussen ingezet. Dit bespaart veel kosten en zorgt ervoor dat deze dunbevolkte gebieden toch bereikbaar blijven. Wel is het zo dat door deze ontwikkeling mensen met een rolstoel in sommige regio’s niet meer van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.   Vrijwillige bestuurders zijn namelijk niet altijd in staat om iemand met een rolstoel op een veilige manier mee te nemen en de betrokken vervoerders geven aan dat dit niet te verzekeren is. Deze mensen zijn hierdoor volledig afhankelijk van doelgroepenvervoer, terwijl zij voorheen de keuze hadden om ook van toegankelijk openbaar vervoer gebruik te maken.   De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij provincies en gemeenten. Een eenduidige oplossing hiervoor is momenteel niet voorhanden. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat constateert dat hiermee in verschillende delen van het land verschillend wordt omgegaan. In sommige regio’s (bijvoorbeeld Groningen-Drenthe, Midden-Brabant, Zeeland) kijkt men of het mogelijk is om aanvullend openbaar vervoer en doelgroepenvervoer slim te combineren.   In het kader van het in ontwikkeling zijnde actieprogramma Iedereen onderweg, dat uw Kamer begin 2019 wordt aangeboden, worden momenteel samen met vervoerders en medeoverheden oplossingsmogelijkheden verkend en uitgewerkt.   10. Kunt u concreet aangeven hoe de regering in alle programma’s voor ontwikkelingssamenwerking rekening houdt met de rechten van mensen met een beperking?   Antwoord 10 De zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen voor 2030 (Sustainable Development Goals – SDGs) zijn leidraad voor het Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beleid zoals vastgelegd in de Nota “Investeren in perspectief”. De ambitie is om verbeteringen te realiseren voor mensen die het meest achtergesteld zijn (‘leaving no one behind’). Een groot aantal programma’s op het gebied van ontwikkelingssamenwerking zet expliciet in op het beter bereiken en betrekken van mensen die achtergesteld zijn, waaronder mensen met een beperking. Ook versterkt Nederland de capaciteit van maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van de meest achtergestelde groepen in lage en laag/midden inkomenslanden om hun participatie in de samenleving te vergroten en discriminatie en ongelijkheid tegen te gaan. Hiermee draagt Nederland bij aan de kansen voor mensen met een beperking om in hun eigen land voor hun rechten op te komen.   11. Wanneer stuurt u de Kamer de eerste voortgangsrapportage van uw programma ‘Onbeperkt meedoen!’?   Antwoord 11 Zoals ik in de brief aan uw Kamer bij de aanbieding van het programma Onbeperkt Meedoen! heb toegezegd, rapporteer ik jaarlijks aan uw Kamer over de voortgang van het programma. Dat zal ieder jaar vóór de zomer gebeuren, zo ook voor de zomer van 2019.
  Datum: 16 januari 2019    Nr: 2019D00939    Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

De rol van in Nederland werkzame vermogensbeheerders en beleggingsinstellingen bij grote financiële schandalen en het feit dat Nederlandse pensioenfondsen geheime overeenkomsten sluiten met hen waarin zeer waarschijnlijk de beheerder feitelijk nooit aansprakelijk gesteld kan worden voor schade

Vragen van het lid Omtzigt (CDA) aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de rol van in Nederland werkzame vermogensbeheerders en beleggingsinstellingen bij grote financiële schandalen en het feit dat Nederlandse pensioenfondsen geheime overeenkomsten sluiten met hen waarin zeer waarschijnlijk de beheerder feitelijk nooit aansprakelijk gesteld kan worden voor schade. (ingezonden 13 februari 2019)   1 Hoeveel geld hebben Nederlandse pensioenfondsen en klopt het dat het grootste deel van deze gelden wordt beheerd door vermogensbeheerders, die aangesloten zijn bij Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS)?   2 Herinnert u zich dat het aangenomen amendement-Omtzigt (Kamerstuk 35015, nr. 10) heel duidelijk stelt welke werkzaamheden een pensioenfonds niet mag uitbesteden, namelijk: "a. taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid; b. het opstellen van en toezien op het strategisch beleid ten aanzien van vermogensbeheer; c. werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van de uitvoerder voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen; d. indien de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Pensioenwet bepaalde"?   3 Herinnert u zich dat belangenvereniging van in Nederland werkzame vermogensbeheerders en beleggingsinstellingen DUFAS bepaald ongelukkig was met de toelichting op het amendement?   4 Herinnert u zich dat u antwoordde dat u niet op de hoogte bent dat de leden van DUFAS zich onder andere schuldig gemaakt hebben aan Libor fraude, Forex manipulatie, Euribor fraude, fraude met edelmetalen, fraude met Swaps (ISDA fix) en meer, en dat pensioenfondsen hierdoor schade geleden hebben en dat u vertelde dat deze informatie doorgaans niet openbaar is? 1)   5 Bent u bekend met het feit dat DUFAS leden Citi, JP Morgan en UBS onder de banken waren die schuldig waren aan LIBOR fraude, dat toegegeven hebben en daar miljarden boetes voor betaald hebben in de Verenigde Staten (VS)? 2)   6 Bent u bekend met het feit dat DUFAS leden Citi, JP Morgan, UBS en BNP Paribas samen meer dan 5 miljard dollar boete betaald hebben in de VS, het Verenigd Koninkrijk (VK) en Zwitserland voor hun rol in de manipulatie van de wisselkoersen? 3)   7 Bent u bekend met het feit dat DUFAS lid JP Morgan één van de banken is die een boete kreeg in de Euribor fraude zaak (waaraan ook de Nederlandse Rabobank zich schuldig heeft gemaakt)?   8 Bent u bekend met het feit dat DUFAS lid State Street honderden miljoenen boete betaalde aan Amerikaanse toezichthouders en aan een settlement met Amerikaanse klanten vanwege fraude met wisselkoersen? 4)   9 Bent u bekend met het feit dat DUFAS lid State Street pensioenfondsen stiekem extra verborgen kosten in rekening bracht en dat zij daarvoor een aantal niet-Nederlandse pensioenfondsen compenseerde? Bent u bekend met het feit dat een aantal mensen hiervoor lange gevangenisstraffen heeft gekregen? 5)   10 Bent u bekend met het feit dat DUFAS lid KPMG onder andere een schikking van het openbaar ministerie (OM) geaccepteerd heeft voor fraude en voor valsheid in geschrifte? 6)   11 Bent u op de hoogte van het feit dat een aantal bestuurders van DUFAS lid KPMG in de Verenigde Staten (VS) vervolgd worden voor het lekken van vertrouwelijke informatie over ophanden zijnde audits? 7)   12 Bent u op de hoogte van het feit dat het DUFAS lid UBS een schikking betaald heeft voor het manipuleren van de markten van edelmetalen en dat een trader van JP Morgan heeft toegegeven schuldig te zijn aan het manipuleren van de markt van edelmetalen? 8)   13 Bent u op dat hoogte dat DUFAS leden BNP Paribas, Citi, JP Morgan hoge boetes en/of afkoopsommen hebben betaald in de schandaal rondom fraude met swaps (Isdafix)? 9)   14 Klopt het dat pensioenfondsen in onder andere de VS schadevergoeding hebben   gekregen voor de schade die zij geleden hebben als gevolg van de manipulatie van de derivatenmarkt?   15 Klopt het dat de Nederlandse pensioenfondsen enorme derivatenposities innemen en dat zij bij marktmanipulatie dus zeer waarschijnlijk schade lijden?   16 Wilt u opnieuw de vraag beantwoorden of u op de hoogte bent dat de leden van DUFAS zich onder andere schuldig hebben gemaakt aan Libor fraude, Forex manipulatie, Euribor fraude, fraude met edelmetalen, fraude met Swaps (ISDA fix) en meer, en dat pensioenfondsen hierdoor schade hebben geleden?   17 Weet u of de vereniging DUFAS ooit enige maatregel heeft genomen tegen een lid vanwege bijvoorbeeld fraude of valsheid in geschrifte? Zo ja, kunt u dan een voorbeeld geven?   18 Is het u opgevallen dat de in de ijlings verwijderde modelovereenkomst van DUFAS was opgenomen dat "- De Fiduciair Beheerder is niet aansprakelijk voor schade, tenzij die het gevolg is van opzet of [grove] schuld van hemzelf [of van enige persoon voor wie hij krachtens de wet aansprakelijk is]. [De aansprakelijkheid voor zulke schade is beperkt tot aansprakelijkheid voor [directe] schade als gevolg van het bedoelde opzet of de [grove] schuld en omvat niet ook indirecte schade, waaronder begrepen maar niet beperkt tot gevolgschade, gederfde winsten en gemiste besparingen.] 
(artikel 23.1) - [De hoogte van de aansprakelijkheid van de Fiduciair Beheerder is beperkt tot een bedrag gelijk aan [â—?] maanden vergoeding als bedoeld in artikel 11.1.] (artikel 23.2) - Voorwaarde voor het ontstaan van enig recht op schadevergoeding is steeds dat de Cliënt de Fiduciair Beheerder schriftelijk in gebreke stelt en daarbij een redelijke termijn ter zuivering van de tekortkoming stelt, terwijl de Fiduciair Beheerder ook na die termijn toerekenbaar in de nakoming van zijn verplichtingen tekort blijft schieten. De ingebrekestelling dient een zo gedetailleerd mogelijke omschrijving van de tekortkoming te bevatten, zodat de Fiduciair Beheerder in staat is adequaat te reageren. (artikel 23.3)"?   19 Deelt u de mening dat contracten die artikel 23.1, 23.2 en 23.3 bevatten, het bijna onmogelijk maken om een fiduciair beheerder aansprakelijk te stellen, omdat gederfde winsten en gemiste besparingen zijn uitgezonderd, de aansprakelijk gelimiteerd is tot een paar maanden vergoeding van de kosten betaald aan de beheerder en de fiduciair beheerder eerst in gebreke moet zijn gesteld en de mogelijkheid gehad moet hebben om zijn fout te herstellen?   20 Herinnert u zich dat u aan de Kamer schreef dat het pensioenfondsbestuur te allen tijde verantwoordelijk is voor het beleggingsbeleid en toezicht daarop? 10)   21 Is het pensioenfondsbestuur bestuursaansprakelijk, indien er sprake is van verlies door opzet of grove schuld bij de beheerder, maar die beheerder niet aansprakelijk gesteld kan worden omdat die via het contract gevrijwaard is van die aansprakelijkheid of in ieder geval het bedrag waarvoor die aansprakelijk gehouden kan worden, geminimaliseerd heeft? Kunt u het antwoord toelichten?   22 Bent u bereid om in overleg met de pensioenfederatie of de toezichthouder na te gaan of pensioenfondsen ooit een beheerder aansprakelijk hebben gesteld? Zo ja, kunt u dat voorbeeld dan vertrouwelijk delen met de Kamer?   23 Welke contacten heeft u (of uw ministerie) sinds 15 november 2018 met DUFAS gehad? Kunt u de e-mailberichten en gespreksverslagen van die contacten aan de Kamer doen toekomen?   24 Kent u de contracten tussen beheerders en pensioenfondsen? Op welke informatie baseert u de zin: “De overeenkomsten die in de praktijk gesloten worden, zijn doorgaans niet gebaseerd op de modelovereenkomst, maar op deze herziene principes”? 11) 25 Kent u enig pensioenfonds waar de deelnemer inzagerecht heeft in de beheersoverkomst?   26 Kent u enig pensioenfonds waar het verantwoordingsorgaan inzagerecht heeft in de beheersovereenkomst?   27 Kan een verantwoordingsorgaan decharge verlenen als zij geen inzage heeft in de beheersovereenkomst?   28 Acht u het wenselijk dat een verantwoordingsorgaan inzagerecht heeft in de beheersovereenkomst?   29 Wie gaan controleren of beheerders geen derivaten van zichzelf aan pensioenfondsen verkopen die niet vrijelijk verhandeld worden op een open markt?   30 Wat is uw oordeel over het feit dat een aantal Nederland werkzame vermogensbeheerders en beleggingsinstellingen ongeveer meegedaan heeft aan elke vorm van marktmisbruik en er nog steeds alles aan doet om geheime overeenkomsten te sluiten met pensioenfondsen, die deze beheerders bijna volledig vrijwaren van aansprakelijkheid?   31 Kunt u deze vragen één voor één, volledig en binnen drie weken beantwoorden? 1) Aanhangsel bij de handelingen 1247, 2018/2019, antwoord 8 2) https://www.cfr.org/backgroundeunderstanding-libor-scandal 3) zie https://en.wikipedia.org/wiki/Forex_scandal en https://www.ft.com/content/76dda416-02af-11e8-9650-9c0ad2d7c5b5 4) https://www.reuters.com/article/us-state-str-settlement/state-street-to- pay-530-million-to-resolve-forex-fraud-claims-idUSKCN10706B 5) https://www.ipe.com/news/regulation/ex-state-street-transitions-chief- convicted-of-fraud/www.ipe.com/news/regulation/ex-state-street-transitions- chief-convicted-of-fraud/10025449.fullarticle 6) https://nos.nl/artikel/2183845-pijnlijke-boete-van-8-miljoen-euro-voor- kpmg-wegens-fraude.html 7) https://www.reuters.com/article/us-kpmg-fraud-plea/former-kpmg-executive- director-pleads-guilty-to-audit-fraud-scheme-idUSKCN1MQ2OZ 8) https://www.reuters.com/article/us-usa-cftc-arrests/u-s-authorities-due- to-make-arrests-in-futures-spoofing-probe-sources-idUSKBN1FI19J en https://www.cnbc.com/2018/11/06/ex-jp-morgan-trader-pleads-guilty-to- manipulating-metals-markets.html 9) https://www.businessinsider.com/citi-fined-cftc-libor-isdafix-rate- fixing-evidence-chat-logs-transcripts-2016-5?international=true&r=US&IR=T, https://www.reuters.com/article/jpmorgan-cftc/jpmorgan-to-pay-65-mln-to- settle-charges-of-attempted-isdafix-manipulation-idUSEMN306QQ7, en https://www.reuters.com/article/us-usa-cftc-bnp-paribas/u-s-cftc-orders-bnp- paribas-to-pay-90-million-penalty-for-rate-rigging-idUSKCN1LE2AS 10) Aanhangsel bij de handelingen 1247, 2018/2019, antwoord 4 11) Aanhangsel bij de handelingen 1247, 2018/2019, antwoord 3
  Datum: 13 februari 2019    Nr: 2019Z02795    Indiener: Pieter Omtzigt, Kamerlid CDA
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Schonis over het bericht 'Rechter: Biro moet van het fietspad'

Geachte voorzitter,   Bijgaand beantwoord ik graag de vragen van het lid Schonis (D66) over het bericht 'Rechter: Biro moet van het fietspad'(ingezonden 28 januari 2019)   Vraag 1   Kent u het artikel 'Rechter: Biro moet van het fietspad'?   Antwoord 1   Ja.   Vraag 2   Heeft u inmiddels het vonnis van de rechter op schrift gekregen, zoals aangegeven in genoemd artikel, waarin de Biro gelijk wordt gesteld aan een brommobiel?   Antwoord 2   Nee, het vonnis van de politierechter is alleen mondeling gedaan en is dus niet op schrift gesteld. Het is niet mogelijk het vonnis alsnog op schrift te krijgen.   Vraag 3   Worden de gemeenten die nodig zijn voor de uitvoering van dit vonnis bij het overleg betrokken?   Antwoord 3:   Dit vonnis hoeft niet door de gemeenten uitgevoerd te worden, want het vonnis richt zich alleen op de gedaagde.   Vraag 4   Wordt de kwetsbare groep verkeersdeelnemers, namelijk gehandicapten, voor wie de Biro als vervoermiddel is bedoeld, niet onevenredig getroffen door dit vonnis? Houdt u hiermee rekening bij de uitvoering van het vonnis?     Antwoord 4.   De Hoge Raad heeft in haar arrest HR, 31-05-1983, nr. 75365 aangegeven dat “een motorvoertuig [pas] als ingericht voor het vervoer van een invalide [kan] worden aangemerkt wanneer daaraan een bijzondere, aan het lichamelijk gebrek van de bestuurder aangepaste, voorziening is aangebracht.” Voor gehandicapte Biro-Gebruikers die hun Biro hebben aangepast aan hun lichamelijk gebrek geldt dit vonnis dus niet. De Biro is in de originele uitvoering geen gehandicaptenvoertuig: hij is niet ingericht voor het vervoer van een gehandicapte. Hierop kan gehandhaafd worden. Of dit daadwerkelijk gebeurt is een afweging in de lokale driehoek van gemeente, OM en politie. Zoals aangegeven in het AO SPV van 30 januari, wil ik wel samen met de Autoriteit Consument en Markt duidelijkheid verschaffen aan consumenten en verkopers van dit soort licht elektrische voertuigen, omdat ik constateer dat de informatie op websites en via andere verkoopkanalen niet altijd juist en volledig is. Daarover wil ik in gesprek met maatschappelijke partners, wegbeheerders, verkopers en zeker ook met Europese partners, aangezien dit soort voertuigen ook in andere landen worden verkocht of gebruikt.   Hoogachtend,   DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,   drs. C. van Nieuwenhuizen Wijbenga
  Datum: 19 februari 2019    Nr: 2019D06953    Indiener: C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Koerhuis en Rudmer Heerema over het bericht dat de provincie Noord-Holland woningbouw in Alkmaar tegenhoudt

Vragen van de leden Koerhuis en Rudmer Heerema (beiden VVD) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht dat de provincie Noord-Holland woningbouw in Alkmaar tegenhoudt. (ingezonden 17 december 2018)   1   Kent u het bericht ‘Provinciale hindermacht’? 1)   Ja   2   Is het waar dat het tekort aan huizen in Noord-Holland en in Nederland hiermee verder oploopt?   Om tegemoet te komen aan de groeiende vraag naar woningen moeten er tot 2025 gemiddeld 75 duizend woningen per jaar bijgebouwd worden. Het EIB verwacht voor 2019 dat er circa 73.000 woningen worden gebouwd en ongeveer 80.000 per jaar voor de periode 2020-2023. Het valt niet te zeggen hoe deze individuele casus zich hiertoe verhoudt.   3   Heeft u in uw gesprekken met de provincie Noord-Holland al de mogelijkheid aan de orde gesteld om gemeenten boven Amsterdam meer ruimte te geven om te bouwen door overprogrammeren toe te staan en regionale woonafspraken en rode en groene contouren te verruimen, in navolging van de motie-Koerhuis / Ronnes (TK 32847, nr 455)? Zo ja, wat was de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, wanneer was u van plan om dit te doen?   Nee, ik heb hierover nog niet gesproken met de provincie Noord-Holland.   Ik heb uw kamer toegezegd spoedig met de provincie Noord-Holland in gesprek te gaan en u over de uitkomsten te informeren.   4   Deelt u de mening dat als de vijf gemeenten uit de regio Alkmaar (Alkmaar, Bergen, Castricum, Heiloo en Langedijk) aansluiten bij de Metropoolregio Amsterdam (MRA) met betrekking tot woningbouw, dat de MRA dan makkelijker woningbouwplannen richting de regio Alkmaar kan schuiven als blijkt dat andere gemeenten in de MRA woningbouwplannen niet kunnen realiseren?   De regio Alkmaar, die naast Alkmaar, Bergen, Castricum, Heiloo en Langedijk ook bestaat uit de gemeenten Heerhugowaard en Uitgeest, kan ook zonder onderdeel te zijn van de MRA bouwen voor woningzoekenden uit de MRA. Hiervoor is voldoende planologische ruimte en hier wordt in de behoefteprognoses ook rekening mee gehouden. Tot op heden blijft de gerealiseerde productie in de regio Alkmaar echter achter bij de behoefte. De focus zou dus moeten liggen op de realisatie van plannen in plaats van het maken van nieuwe plannen.   5   Zouden ook andere gemeenten boven Amsterdam, zoals Hoorn, die nog niet zijn aangesloten, kunnen aansluiten als dit vanuit de gemeenten zelf komt?   Dit is aan de bestuurders in de MRA en de betreffende gemeenten. Noch de provincie, nog BZK gaat hierover.   6   Heeft u in uw gesprekken met de provincie Noord-Holland al betrokken om de regio Alkmaar te laten aansluiten bij de MRA met betrekking tot woningbouw, zoals u heeft toegezegd in het algemeen overleg Bouwopgave op 28 november? Zo ja, wat was de uitkomst van dat gesprek? Zo nee, wanneer was u van plan om dit te doen?   In het algemeen overleg Bouwopgave heb ik toegezegd met de regio Alkmaar in gesprek te gaan over de bouwopgave en de daarvoor beschikbare plancapaciteit in die regio. Dat gesprek heeft nog niet plaatsgevonden. Ik heb uw Kamer toegezegd u voor het einde van het eerste kwartaal van 2019 te informeren over de uitkomsten van het gesprek.   7   Deelt u de mening dat deze gesprekken nu eerder moeten plaatsvinden naar aanleiding van het bericht? Zo ja, wanneer bent u nu van plan om dit te doen? Zo nee, waarom niet?   De berichtgeving over de regio Alkmaar is in de drie weken tussen het AO en dit bericht niet veranderd, ik zie daarom geen reden de gesprekken sneller te voeren. Ik zal begin 2019 overleg voeren met de regio en u over de uitkomst daarvan voor het einde van het eerste kwartaal van 2019 informeren.   8   Deelt u de mening van de auteur van het bericht dat uw ambitie om 75.000 nieuwe woningen per jaar in Nederland te gaan bouwen niet gaat lukken met een provinciale hindermacht, zoals de provincie Noord-Holland voor de regio Alkmaar is? Wat gaat u doen om de rol van de provincie van hindermacht om te zetten naar aanjaagmacht?   De ambitie om 75.000 woningen per jaar te bouwen hangt vooral af van de daadwerkelijke realisatie van plannen. Verschillende factoren dragen bij aan het achterblijven van de productie, zoals gebrek aan capaciteit in de bouw, een tekort aan ambtelijke capaciteit bij gemeenten, financiële knelpunten, de stapeling van (lokaal) beleid en marktpartijen die acquireren in plaats van realiseren. De provincie Noord-Holland heeft een budget van 15 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het oplossen van dit soort knelpunten.   https://fd.nl/opinie/1281982/provinciale-hindermacht#
  Datum: 11 januari 2019    Nr: 2019D00554    Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Remco Dijkstra en Laan-Geselschap over het bericht ‘Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs’

  Bij beantwoording de datum en ons kenmerk vermelden. Wilt u slechts één zaak in uw brief behandelen.   In antwoord op uw bericht van 4 oktober 2018, deel ik u mee dat de schriftelijke vragen van de leden Remco Dijkstra en Laan-Geselschap (beiden VVD) inzake het bericht ‘Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs’, worden beantwoord in de bijlage bij deze brief.   De Minister van Justitie en Veiligheid,   Ferd Grapperhaus   Antwoorden van de minister van Justitie en Veiligheid op de vragen van de leden Remco Dijkstra en Laan-Geselschap (beiden VVD) over het bericht ‘Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs’ (ingezonden 4 oktober 2018, nr. 2018Z17642)   Vraag 1   Bent u bekend met het bericht ‘Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs’?   Vraag 2   Heeft u ook in het artikel gelezen dat er ruim 1250 automobilisten betrapt zijn die onder invloed van drugs achter het stuur zaten, dat hiervan inmiddels 250 zaken op zitting zijn geweest en dit betekent dat er nog zo’n 1000 zaken behandeld moeten worden? Gaat dit nog gebeuren? Zo ja, op welke termijn gaat dit gebeuren? Zo nee, waarom niet?   Antwoord vragen 1 en 2   Ik ben bekend met het artikel. Het opleiden van opsporingsambtenaren, het uitvoeren van het bloedonderzoek en het inplannen op zitting door het OM kosten tijd en daarom duurde het een paar maanden voordat de eerste drugszaken onder de nieuwe wetgeving door de rechter behandeld werden. Tot en met september 2018 zijn inmiddels 613 van deze nieuwe zaken op zitting geweest. In de periode van oktober 2018 tot en met januari 2019 zijn nog eens 201 personen gedagvaard voor het rijden onder invloed van drugs. Van de resterende zaken is nog geen zittingsdatum bekend, naar verwachting worden die begin 2019 behandeld.   Vraag 3   Wanneer men onder invloed van cannabis achter het stuur gezeten heeft kan men volgens het artikel rekenen op een boete van 850 euro en mag men een paar maanden niet rijden. Is dit de standaard strafmaat of wordt hier ook vanaf geweken?   Antwoord vraag 3   Als er sprake is van rijden onder invloed van cannabis, waarbij de concentratie van die stof in het bloed de grenswaarde heeft overschreden, geldt als uitgangspunt voor de strafeis tabel 4 van de Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod. Deze richtlijn geeft een strafeis van 850 euro boete en 6 maanden rijontzegging voor een first offender en enkelvoudig gebruik. De maximumstraf voor rijden onder invloed van cannabis bedraagt een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van de derde categorie. De rechter bepaalt de precieze hoogte van de sanctie.   In het Wetsvoorstel Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten wordt voorgesteld de strafmaat van rijden onder invloed van drugs te verhogen van drie maanden gevangenisstraf naar een gevangenisstraf van één jaar.   Vraag 4   In hoeverre kan de politie bij een drugstest aantonen hoeveel drugs er zijn gebruikt? Is de hoeveelheid drugs van invloed op de strafmaat?   Antwoord vraag 4   De speekseltester is een voorselectiemiddel, dat bij een positieve uitslag een indicatie geeft welk soort drugs zijn gebruikt, maar niet hoeveel. Daarom is bloedonderzoek noodzakelijk zodat kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is geweest van drugsgebruik en of de wettelijke limieten voor drugs zijn overschreden.   Omdat niet duidelijk per stof vast te stellen is in welke mate het gevaar voor de verkeersveiligheid stijgt afhankelijk van de hoeveelheid van de stof (bij alcohol is dit wel mogelijk) zijn er enkel grenswaarden vastgesteld. Bij overschrijding van de grenswaarde is er sprake van strafbaar gedrag; in de afweging van een zaak is het aan de rechter om dan de straf te bepalen. Bij de strafmaat wordt daarnaast wel rekening gehouden met het feit of er sprake is van gebruik van een combinatie van soorten drugs. Bij combinaties van meerdere drugs al dan niet met alcohol liggen de straffen hoger dan bij enkelvoudig gebruik van een drug.   Vraag 5   In hoeveel procent van de gevallen is het zo dat personen die onder invloed van drugs achter het stuur hebben gezeten een taakstraf krijgen? Is al inzicht in het aantal recidivisten dat meerdere malen is gepakt met drugs op achter het stuur? Zo ja, geven deze cijfers aan dat de strafmaat wellicht herzien moet worden?   Antwoord vraag 5   In de periode van 1 juli 2017 tot 1 oktober 2018 is aan 512 personen door de rechter een straf opgelegd wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij is in 235 gevallen een taakstraf opgelegd (46%). Er is nog onvoldoende zicht op het aantal recidivisten.   Vraag 6   Hoe vaak wordt er in geval van een ongeluk een drugstest gedaan? In hoeveel gevallen waarbij sprake was van een ernstig ongeval was er sprake van het onder invloed zijn van drugs?   Antwoord vraag 6   Indien de politie aanleiding ziet om een speekseltest uit te voeren zal die indien mogelijk na een ongeluk worden uitgevoerd. De aanleiding kan gelegen zijn in het aantreffen van drugs in het voertuig, gevaarlijk rijgedrag of uiterlijke kenmerken van de bestuurder.   In 2018 is tot nu toe bij 147 ernstige ongelukken (ongelukken met letsel of dodelijke ongelukken) een speekseltest uitgevoerd. De politie ontvangt de uitslagen van het NFI, maar registreert niet afzonderlijk of het een positieve of negatieve uitslag betreft. Ik ben voornemens met de politie te spreken over mogelijkheden voor meer afzonderlijke registratie, waarbij ook dit punt aan de orde zal komen.   Vraag 7   In tegenstelling tot alcoholgebruik, mag de politie bij drugsgebruik het rijbewijs niet meteen invorderen. Waarom mag dit niet? Bent u van plan om dit te gaan wijzigen?   Antwoord vraag 7   De politie mag net als bij alcoholgebruik het rijbewijs invorderen bij vermoeden van ongeschiktheid wegens rijden onder invloed.   Vraag 8   Aangezien er momenteel veel blaastesten worden uitgevoerd door middel van fuiken, waarom wordt er op zulke momenten niet ook meteen op drugs gecontroleerd? Is de politie voornemens deze controles ook uit te voeren bij grote festivals, dance-events en andere meerdaagse evenementen waarbij het vermoeden bestaat dat drugs gebruikt worden?   Antwoord vraag 8   Door de sociale media is de effectiviteit van fuiken afgenomen. De politie maakt daarom meer gebruik van dynamische verkeerscontroles en gebruikt de speekseltester indien daartoe aanleiding is (zie ook het antwoord op vraag 6). Dat laat onverlet dat ook fuikcontroles belangrijk zijn en dat de politie er voor kan kiezen (ook) op de uitvalswegen van festivals te controleren op rijden onder invloed van drugs. Vanwege de duur van de afname van de speekseltester zal normaliter niet iedereen kunnen worden getest op het gebruik van drugs.   Vraag 9   Is er momenteel genoeg handhaving binnen de politie om dit soort drugstesten uit te voeren? Deelt u de mening dat het opsporen en vervolgen van mensen die onder invloed van drugs achter het stuur zitten enorm kan bijdragen aan de verkeersveiligheid?   Antwoord vraag 9   Het is belangrijk dat er wordt gehandhaafd op het verbod om te rijden onder invloed van drugs. Ik deel de mening dat dit kan bijdragen aan de verkeersveiligheid. Daarom is dit ook een van de prioriteiten van de teams Verkeer van de politie.     1) https://nos.nl/artikel/2252408-ruim-duizend-automobilisten-onder-invloed-van-drugs.html   VERTROUWELIJK  
  Datum: 29 november 2018    Nr: 2018D57285    Indiener: F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Slootweg over de crisis bij Careyn

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Slootweg (CDA) over de crisis bij Careyn (2018Z20020).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Slootweg (CDA) over de crisis bij Careyn. (2018Z20020)   1   Bent u bekend met de artikelen ‘Crisis in Tuindorp-Oost door hoog ziekteverzuim en problemen bij zorg’ 1) en ‘Crisis bij Careyn Utrecht net voor einde aanwijzing IGJ’? 2)   1.   Ja.     2   Klopt het dat een negenendertigtal zeer oude bewoners van de locatie Tuindorp Oost van Careyn, waaronder drie honderdjarigen, gedwongen zijn om te verhuizen omdat een projectontwikkelaar dit bedongen heeft bij de aankoop van het pand?   2.Er zijn momenteel 32 bewoners in de locatie Tuindorp-Oost, waaronder twee honderdjarigen. Daarvan moeten 22 bewoners verhuizen omdat de huidige woonruimte niet langer voldoet aan de voorwaarde voor veilige en goede zorgverlening. Verhuizen is voor de bewoners een bijzonder ingrijpende gebeurtenis en het is daarom van majeur belang om dit proces met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te doorlopen. Careyn heeft afgewogen hoe zij de benodigde verbetering in de woonvoorziening voor deze cliëntengroep zo veilig mogelijk kan laten verlopen en met de minste belasting voor de cliënten.     3   Klopt het dat de cliëntenraad in eerste aanleg negatief geadviseerd heeft aangaande deze verhuizing, maar dat na het verstrekken van verkeerde en onvolledige informatie de cliëntenraad positief heeft geadviseerd?   5   Speelt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) nog een rol wanneer blijkt dat een verhuizing op oneigenlijke gronden een positief advies heeft gekregen van de cliëntenraad?   3+5.   De regionale cliëntenraad heeft in juni 2018 aanvankelijk positief geadviseerd over de verhuizing, maar heeft dit advies begin augustus 2018 ingetrokken vanwege het feit dat zij niet tijdig geïnformeerd waren over de gemaakte afspraken met de projectontwikkelaar.   Op dit moment is de cliëntenraad nauw betrokken en heeft medio oktober een advies uitgebracht over het plan van aanpak van de interne verhuizing Tuindorp Oost. Zij benoemden in dat advies voorwaarden voor de verhuizing. Deze voorwaarden zijn door Careyn overgenomen.   Het is uiteraard van belang dat de besluitvorming bij Careyn op een zorgvuldige manier verloopt. Wanneer IGJ daar aanleiding toe ziet, onderzoekt ze of zorg veilig en van voldoende kwaliteit is.   4   Welke mogelijkheden hebben bewoners en familie om toch nog bezwaar te maken tegen deze verhuizing?   4.   Het is de verantwoordelijkheid van de bestuurder om na te gaan of de zorg op een veilige manier geleverd kan worden. De bewoners zijn door Careyn geïnformeerd dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg in de bestaande locatie niet meer gegarandeerd kan worden. Daarom wordt hen alternatieve huisvesting geboden. Het is belangrijk dat zorgaanbieders de leefwensen van cliënten kennen en hiermee rekening houden waar mogelijk en redelijk. Ook moeten bestuurders de zorg op een goede en veilige manier organiseren. Wanneer cliënten niet tevreden zijn over de individuele zorgsituatie kunnen zij bij de klachtencommissie een klacht indienen. Careyn heeft hiervoor een passende klachtenregeling. In tweede instantie kan de cliënt de klacht voorleggen aan de rechter of de geschillencommissie die dan een bindende uitspraak doet. Echter, de bewoners van Tuindorp-Oost zijn door Careyn geïnformeerd dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg in het hoogbouwdeel niet meer voldoende gegarandeerd kan worden. Daarom biedt Careyn alternatieve huisvesting aan. Het is begrijpelijk dat ouderen dit als een enorme verandering ervaren. Careyn moet zich daarom tot het uiterste inspannen om noodzakelijke verhuizingen zorgvuldig te begeleiden. Dat moet ook gebeuren wanneer een cliënt bij nader inzien liever naar een andere zorgaanbieder verhuist omdat de zorg daar meer aan diens leefwensen voldoet.     6   Klopt het dat de voorzitter van de cliëntenraad vanwege de chaotische toestand is opgestapt?   6.   De voorzitter van de cliëntenraad heeft op 8 november 2018 zijn functie neergelegd. Het is niet aan mij om toe te lichten welke redenen hij daarvoor had.   7   Kunt u aangeven wie de externe audit heeft uitgevoerd namens de Raad van Bestuur van Careyn, waaruit zou blijken dat de bewoners in Tuindorp Oost een positief beeld hebben van de huidige situatie?   7.   Ik heb van Careyn begrepen dat het een audit naar de kwaliteit van de zorg en organisatorische aspecten daarvan betrof. Het is niet aan mij om de naam van de auditor te delen.     8   Klopt het dat het ziekteverzuim onder het personeel vier tot vijf maal zo hoog ligt bij de locatie van Careyn in Tuindorp-Oost dan landelijk gemiddeld?   8.   Nee, dit klopt niet. Het ziekteverzuim in de locatie Tuindorp Oost was in september 9,1%, organisatiebreed was dit percentage t/m oktober 7,8%.     9   Heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd(IGJ) geconstateerd dat het ontbreekt aan veilige zorg en dat goede toediening van medicatie niet op orde is in deze locatie?   9.   Nee.     10   Heeft de IGJ nu geconstateerd dat er bij Careyn nu niet langer problemen zijn op het gebied van inzet en deskundigheid van medewerkers, kwaliteit en veiligheid van zorg en bestuur?     11   Is de IGJ van plan om ondanks deze crisisachtige sfeer de aanwijzing te beëindigen?     12   Stel dat de aanwijzing wordt gehandhaafd, is er dan grond voor de IGJ om haar toezicht aan te scherpen?   10, 11 en 12.   De IGJ toetst momenteel of Careyn aan de voorwaarden voldoet, zoals die omschreven zijn in de aanwijzing die zij vorig jaar november aan Careyn gaf. Die aanwijzing bestond uit twee delen. De IGJ concludeerde in mei van dit jaar dat Careyn aan het eerste deel van de aanwijzing voldeed (gericht op de onderwerpen verbeteren van de dossiervoering en het organiseren van voldoende tijd voor rapportage en overdracht). Het tweede deel van de aanwijzing was gericht op het wegnemen van tekortkomingen op het gebied van de inzet en deskundigheid van medewerkers, de sturing van kwaliteit en veiligheid en goed bestuur en die termijn liep 7 november 2018 af. Ik kan op die uitkomsten niet vooruitlopen, de IGJ publiceert haar bevindingen en conclusie over dit toezichttraject zodra de gebruikelijke procedure doorlopen is, naar verwachting begin 2019.     1) https://www.ad.nl/utrecht/crisis-in-tuindorp-oost-door-hoog-ziekteverzuim-en-problemen-bij-zorg~a8d6fd60/   2) https://www.skipr.nl/actueel/id36348-crisis-bij-careyn-utrecht-net-voor-einde-aanwijzing-igj.html  
  Datum: 22 november 2018    Nr: 2018D55991    Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Van den Hul over het bestuur van het Venlose OGVO dat in verband met financiële problemen leraren meer laat werken voor hetzelfde salaris

Vragen van het lid Van den Hul (PvdA) aan de minister voor Basis-, Voortgezet Onderwijs en Media over het bestuur van het Venlose OGVO dat in verband met financiële problemen leraren meer laat werken voor hetzelfde salaris (ingezonden 25 oktober 2018)     1   Kent u het bericht "Angstcultuur op Venlose middelbare scholen", waarin wordt vermeld dat het bestuur van de Onderwijsgemeenschap Venlo & Omstreken (OGVO) in verband met financiële problemen leraren meer laat werken voor hetzelfde salaris?   Ja, ik ken het bericht.   2   Welke rol speelt in deze kwestie de angstcultuur, waarvan sprake is in de berichtgeving van Omroep Venlo? Klopt het dat veel leraren die werkzaam zijn op de scholen van OGVO niet durven te reageren uit angst dat ze hun baan kwijtraken? 1)   De zaken waar het hier om gaat zijn in het stelsel onderdeel van de verantwoordelijkheid van het onderwijsbestuur. In het algemeen geldt dat de toezichthouder van de instelling in zijn rol als werkgever van de bestuurder zicht heeft op het functioneren en handelen van de bestuurder en daarop kan interveniëren als deze daartoe noodzaak ziet. Het spreekt voor zich dat een professioneel bestuur in samenspraak met de toezichthouder ervoor zorgt dat er een transparante dialoog tussen het bestuur en de werkvloer plaatsvindt. Een goed functionerende medezeggenschap is daarvoor een belangrijk orgaan binnen de instelling. Dit schooljaar zal de Inspectie onderzoek doen bij OGVO. Dit onderzoek stond al in de planning.   3   Welke rol speelt in deze kwestie de omstandigheid dat de drie scholen gezamenlijk circa 5.900 leerlingen hebben en er voor leerlingen in het regulier voortgezet onderwijs geen alternatief bestaat binnen de gemeente Venlo, zodat leerlingen die niet op een school van OGVO willen zitten, moeten uitwijken naar gemeente Horst of Roermond?   Het is aan het schoolbestuur om goed (strategisch) personeelsbeleid te voeren, en daarbij rekening te houden met de omstandigheden van de scholen.   Voor de leerlingen dienen Onderwijsgemeenschap Venlo en Omstreken (OGVO) en de scholen van dit bestuur onderwijs aan te bieden van voldoende kwaliteit, ongeacht of er wel of geen andere scholen in de regio zijn. De Inspectie ziet er op toe dat scholen voldoen aan de basiskwaliteit. Wanneer de Inspectie signalen ontvangt dat deze basiskwaliteit - waar onder andere ook een professionele kwaliteitscultuur en integer functioneren onderdeel van uitmaakt - in het geding zou zijn, neemt zij dit mee in haar toezicht. De inspectie kan hier een onderzoek naar starten.   4   Kan de verwachting van het bestuur dat er door uitval of cursussen toch uren uitvallen en men per saldo dan wel blijft binnen de afspraken die gemaakt zijn, gaan werken als precedent voor andere schoolbesturen om ook het aantal lesuren op jaarbasis op te hogen? 2)   Ik kan niet voorspellen of de keuzes van OGVO invloed hebben op de keuzes van andere schoolbesturen.   Het gaat hier in eerste instantie om de vraag of de werkgever de cao-vo op een juiste wijze toepast. Dit is een vraag die beantwoord moet worden door degenen die deze cao gesloten hebben, de sociale partners. Ik heb begrepen dat de Algemene Onderwijsbond inmiddels betrokken is. In de cao-vo staat dat scholen zich dienen te houden aan de maximale lestaak van leerkrachten van 750 klokuren per jaar in 2018. De maximale lestaak van leerkrachten gaat in 2019 overigens naar 720 klokuren per jaar (zie website VO-raad voor meer informatie).     1) “Angstcultuur op Venlose middelbare scholen” (https://omroepvenlo.nl/nieuws/artikel/angstcultuur-onder-medewerkers-venlose-middelbare-scholen);.   2) “OGVO wil leerkrachten meer laten werken voor zelfde salaris” (https://www.omroepvenlo.nl/nieuws/artikel/ogvo-wil-leerkrachten-meer-laten-werken-voor-zelfde-salaris);.  
  Datum: 19 november 2018    Nr: 2018D55131    Indiener: A. Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Bruins over de positie van een naast geassocieerde/zakelijk relatie van een PEP in samenhang met de wijziging van de UBO-regeling

Vragen van het lid Bruins (ChristenUnie) aan de Minister van Financiën over de positie van een naast geassocieerde/zakelijk relatie van een PEP in samenhang met de wijziging van de UBO-regeling (ingezonden 15 oktober 2018)   Vraag 1   Is het de bedoeling van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) dat als een zogeheten PEP (een politiek prominent persoon in de zin van de Wwft) een zogenoemde UBO (een uiteindelijk belanghebbende in de zin van de Wwft) is, de andere UBO's in de betreffende organisatie(s) kwalificeren als naast geassocieerde en/of nauwe zakelijke relatie?   Antwoord vraag 1   Ja, op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt o.a. een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een politiek prominente persoon (PEP) de gezamenlijke uiteindelijk belanghebbende (UBO) is van een juridische entiteit of een juridische constructie, of die met een PEP andere nauwe zakelijke relaties heeft, aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”.   Vraag 2   Kunt u de reikwijdte in de praktijk van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 ook concreet aangeven voor elk van de volgende afzonderlijk casussen:   a. Een PEP is lid van een kerkenraad met 20 leden. Deze vormen gezamenlijk het bestuur van de kerk. De kerk heeft geen UBO's in het kader van eigendom of zeggenschap. Klopt het dat indien het gehele statutair bestuur van de kerkenraad gezamenlijk kwalificeert als UBO om die reden alle medekerkenraadsleden individueel kwalificeren als persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon in de zin van de wet en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?   b. Een PEP is statutair-bestuurder van een onderneming samen met acht andere bestuurders.   De onderneming heeft geen UBO op basis van eigendom of zeggenschap. Klopt het dat, indien het gehele statutaire bestuur van de onderneming gezamenlijk nu kwalificeert als UBO, om die reden alle medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?   c. Een PEP is samen met twee andere bestuursleden bestuurslid van een stichting. Op basis van zeggenschap kwalificeert elk individu als UBO. Klopt het dat, nu elk lid individueel kwalificeert als UBO op basis van zeggenschap, om die reden ook de medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?   d. Een PEP is bestuurslid van een werkgeversvereniging. De werkgeversvereniging kent geen UBO's op basis van eigendom en zeggenschap. Klopt het dat, indien het gehele statutaire bestuur van de vereniging gezamenlijk nu kwalificeert als UBO, om die reden alle medebestuursleden individueel kwalificeren als naast geassocieerden en derhalve vallen onder de verplichtingen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, en verder van de Wwft?   e. Betekent het zijn van naast geassocieerde ook dat de overige entiteiten waar deze naast geassocieerde in betrokken is als UBO ook een verscherpt cliëntenonderzoek moeten hebben? Zo ja welke risico's moeten in dit kader specifiek onderzocht worden en hoe kan dat effectief en goed worden ingevuld? Kunt u dit uitwerken met concrete voorbeelden?   f. Welke periode blijft de medebestuurder, zoals hiervoor benoemd, nog naast geassocieerde indien de PEP geen UBO meer is in de hiervoor genoemde entiteiten?   Antwoord vraag 2   In de casus a tot en met d wordt in feite gevraagd naar degene(n) die wordt of worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Indien een kerkgenootschap (a) of een andere rechtspersoon, niet zijnde een besloten vennootschap of naamloze vennootschap, (b tot en met d) meerdere UBOs kent en één van deze UBOs een PEP is, dan geldt dat de overige UBOs worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Op grond van artikel 1 Wwft en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 wordt o.a. een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een PEP de gezamenlijke UBO is van een juridische entiteit aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”.   In het geval van kerkgenootschappen, die op grond van artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek geregeerd worden door het eigen statuut, geldt dat voor hen vanwege hun bijzondere positie in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit Wwft 2018 een eigenstandige uitwerking van het UBO-begrip is opgenomen. Tot de natuurlijke personen die in elk geval als UBO van een kerkgenootschap moeten worden aangemerkt, worden de natuurlijke personen gerekend die bij ontbinding van het kerkgenootschap als rechtsopvolger in het eigen statuut zijn benoemd, gelet op een potentieel eigendomsbelang van deze natuurlijke personen. Indien na uitputting van alle mogelijke middelen en op voorwaarde dat er geen gronden voor verdenking bestaan, een dergelijke rechtsopvolger niet is achterhaald, of indien er enige twijfel bestaat of de rechtsopvolger de uiteindelijke eigenaar is of zeggenschap heeft dan wel de natuurlijke persoon is voor wiens rekening een transactie wordt verricht, worden als UBO aangemerkt de natuurlijke personen die als bestuurder staan vermeld in het eigen statuut of zo mogelijk als bestuurder staan genoemd in de documenten van de kerkelijke organisatie.   De verplichting om bij PEPs aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen te treffen zoals bedoeld in artikel 8, vijfde tot en met zevende lid, Wwft geldt ook ten aan zien van personen die worden aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Deze maatregelen moeten worden toegepast zo lang als nodig doch ten minste gedurende twaalf maanden totdat deze persoon niet langer het hoger risico meebrengt.   De verplichting om (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren berust op grond van de Wwft op instellingen in de zin van die wet. Dat zijn bijvoorbeeld banken. Deze instellingen moeten per concreet geval de intensiteit van de cliëntenonderzoeksmaatregelen afstemmen op de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering. Hoe hoger die risico’s zijn, des te groter de intensiteit van die maatregelen. Die risico gebaseerde benadering geldt ook voor het verscherpt cliëntenonderzoek naar PEPs. In het geval van een PEP, een familielid van een PEP of een persoon bekend als naaste geassocieerde van een PEP dient een instelling ten minste de maatregelen te nemen zoals genoemd in artikel 8, vijfde lid, Wwft. Het betreft onder meer het nemen van passende maatregelen om de herkomst van het vermogen dat bij de dienstverlening betrokken is vast te stellen. Ook de intensiteit van deze verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen dient te worden afgestemd op de risico’s van een concreet geval. Zo wordt bijvoorbeeld een verhoogde inspanning verwacht van een bank om de herkomst van het vermogen vast te stellen indien een bankrekening wordt geopend voor een staatshoofd van een land met een verhoogd risico op corruptie. Daarnaast kan het zijn dat een instelling aanvullende cliëntenonderzoeksmaatregelen moet nemen. Daarbij kan gedacht worden aan een verdere verhoging van de frequentie waarin de informatie uit het cliëntenonderzoek geactualiseerd wordt.   Vraag 3   Bent u bereid de reikwijdte van naast geassocieerden nader te bezien om zodoende doel en aard van de wetgeving in overeenstemming te krijgen met het risico?   Antwoord vraag 3   Het begrip “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon” is een implementatie van artikel 3, elfde lid, van de vierde anti-witwasrichtlijn. De richtlijn biedt geen ruimte om de reikwijdte op dit punt te beperken.   Vraag 4   In welke van de onderstaande gevallen kwalificeren naar uw inschatting de onderstaande casussen als nauwe zakelijke relatie in de zin van de Wwft:   a. de schuldeiser (natuurlijk persoon) van de PEP;   b. de schuldenaar (natuurlijk persoon) van de PEP?   Antwoord vraag 4   Ik lees vraag 4 in samenhang met de eerdere vragen die onder meer zagen op het begrip “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”. Uit de definitie van dat begrip volgt dat onder andere wordt aangemerkt als “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon”: een natuurlijke persoon van wie bekend is dat deze met een PEP de gezamenlijke UBO is van een juridische entiteit of een juridische constructie, of die met een PEP andere nauwe zakelijke relaties heeft. Of een schuldeiser of schuldenaar van een PEP moet worden aangemerkt als een “persoon bekend als naaste geassocieerde van een politiek prominente persoon” hangt af van de aard van deze relatie. Zo zal een incidentele schuldeiser of schuldenaar niet snel worden aangemerkt als een persoon die een nauwe zakelijke relatie heeft met een PEP. Omdat de omstandigheden van het geval doorslaggevend zijn, is hierop in algemene zin geen antwoord te geven.   Vraag 5   Hoe ver reikt de onderzoeksplicht van een instelling onder de Wwft om al dan niet te concluderen tot een zakelijke relatie? Kunt u concrete voorbeelden noemen wanneer er geen aanleiding is voor nader onderzoek voor onderzoek naar een zakelijke relatie?   Antwoord vraag 5   Om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt gebruikt voor witwassen of terrorismefinanciering moeten instellingen in de zin van de Wwft onderzoek verrichten naar hun cliënten en de achtergrond en het doel van een beoogde zakelijke relatie of transactie. De instellingen dienen voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie of het verrichten van een transactie een risicobeoordeling uit te voeren. Indien daaruit volgt dat er sprake is van een hoog risico is een verscherpt cliëntenonderzoek vereist en dient de Wwft-instelling verscherpte maatregelen te treffen. Naast de zakelijke relaties of transacties die op grond van de risicobeoordeling met een hoog risico op witwassen of terrorismefinanciering gepaard gaan, kan het ook gaan om gevallen waarin bijvoorbeeld sprake is van een PEP. In deze gevallen dient een instelling meer gegevens te verzamelen en te controleren, teneinde het hoge risico voldoende te beperken en te beheersen.   Indien uit de risicobeoordeling volgt dat sprake is van een bewezen laag risico, dan kan de Wwft-instelling volstaan met het treffen van vereenvoudigde cliëntenonderzoeksmaatregelen. Echter, het cliëntenonderzoek kan in geen geval geheel achterwege blijven. Wel wordt de intensiteit waarmee de cliëntenonderzoeksmaatregelen worden toegepast, afgestemd op het risico dat met een cliënt, relatie of transactie gepaard gaat. Het is aan de Wwft-instelling zelf om te bepalen welke intensiteit in een bepaald geval passend is.
  Datum: 27 november 2018    Nr: 2018D56702    Indiener: W.B. Hoekstra, minister van Financiën
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Leijten over de Wet Bronbelasting 2020

Vragen van het lid Leijten (SP) aan de staatssecretaris van Financiën over de Wet Bronbelasting 2020 (ingezonden 29 oktober 2018)   1   Kent u het artikel ‘Wetenschappers: Bronbelasting is vooral een pr-stunt van het kabinet’ en het artikel ‘Bronbelasting 2020: een wassen neus’? Wat is uw reactie op deze artikelen?   Antwoord vraag 1   Het kabinet heeft een ambitieuze agenda opgesteld om belastingontwijking aan te pakken. Dat wordt internationaal ook onderkend, bijvoorbeeld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). In de voortgangsrapportage over het project inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) en het landenexamen dit jaar wordt Nederland expliciet genoemd als land dat recentelijk een grote hervorming heeft aangekondigd waarbij op sommige vlakken verder wordt gegaan dan de minimumstandaarden. Alle maatregelen in het kader van de aanpak van belastingontwijking (en belastingontduiking) zijn beschreven in mijn brief van 23 februari van dit jaar. In deze brief wordt een groot aantal maatregelen aangekondigd om de belastinggrondslag van zowel Nederland als andere landen te beschermen en de transparantie en integriteit te bevorderen.   De auteurs van het artikel in het Weekblad Fiscaal Recht hebben kritiek op de keuzes van het kabinet bij de vormgeving van een van deze maatregelen. Hoewel het voorstel voor de conditionele bronbelasting op dividenden, waarop deze auteurs zich baseren, inmiddels is uitgesteld, zal ik ingaan op deze kritiekpunten omdat zij ook relevantie hebben voor de conditionele bronbelasting op rente en royalty’s die het kabinet per 2021 wil invoeren. Over die bronbelasting heb ik in het wetgevingsoverleg op 9 november 2018 en de plenaire behandeling op 14 november 2018 ook al het een en ander gezegd.   Met de voorgenomen conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties zullen rechtstreekse rente- en royaltybetalingen naar deze jurisdicties worden belast met deze bronbelasting. Rente- en royaltybetalingen naar andere jurisdicties worden in principe niet belast. Voor de situatie dat een rente- en royaltybetaling via een tussenhoudster in zo’n andere jurisdictie naar een laagbelastende jurisdictie loopt, is het kabinet voornemens om een antimisbruikbepaling op te nemen. De mogelijkheden om dit te bestrijden met een antimisbruikbepaling worden echter wel beperkt door het EU-recht.   Op basis van het EU-recht, in het bijzonder de vrijheid van vestiging en de rente- en royaltyrichtlijn, mag een rente- of royaltybetaling aan een (gelieerd) lichaam dat is gevestigd in een andere EU/EER-lidstaat enkel met bronbelasting worden belast indien sprake is van een misbruiksituatie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) legt een misbruiksituatie eng uit; er is (slechts) sprake van een misbruiksituatie indien het gaat om een volstrekt kunstmatige constructie die is bedoeld om belasting te ontwijken.   De kritiek van de auteurs ziet voornamelijk op het feit dat deze EU-rechtelijke beperking niet geldt in verhouding tot derde landen. De antimisbruikbepaling zou dus strenger kunnen worden ingevuld in verhouding tot tussenhoudsters in derde landen. Zij schrijven echter ook: “Zelfs als het kabinet aan al onze punten van kritiek tegemoet zou komen, blijft het daarom mogelijk om de voorgestelde bronbelasting te vermijden door betalingen van dividend, rente en royalty’s om te leiden via een EU/EER-land dat geen bronbelasting op deze betalingen kent.” Doordat dit mogelijk blijft zal een verzwaring van de antimisbruikbepaling richting derde landen naar mijn verwachting een (zeer) beperkt effect hebben. Vanwege dit beperkte effect, heb ik in het wetsvoorstel dat voorzag in een bronbelasting op dividenduitkeringen naar laagbelastende jurisdicties geen onderscheid gemaakt tussen een tussenhoudster gevestigd in een derde land en een tussenhoudster gevestigd in een EU/EER-lidstaat. Momenteel ben ik bezig met het uitwerken van de bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties. Bij de besluitvorming zal ik ook dit punt meewegen.   Het kabinet wil met de bronbelasting op rente- en royaltybetalingen naar laagbelastende jurisdicties een robuuste maatregel tegen belastingontwijking nemen. Bij de vormgeving van de bronbelasting dient echter wel rekening gehouden te worden met het EU-recht en de uitvoerbaarheid. Door de bronbelasting zal Nederland niet langer fungeren als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties. Met een unilaterale maatregel, zoals de bronbelasting, kan Nederland echter niet voorkomen dat andere landen deze functie als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties overnemen. Wereldwijde belastingontwijking zal internationaal moeten worden aangepakt. Het kabinet zal dan ook blijven inzetten op een internationaal gecoördineerde aanpak. Een van de punten waar het kabinet momenteel voor pleit in EU-verband is het introduceren van een verplichting om rente- en royaltybetalingen naar landen op de EU-zwarte lijst te belasten met een bronbelasting of een soortgelijke maatregel.   2   Hoeveel zegt het statutaire tarief over de vraag of een land een laagbelastende jurisdictie is? Erkent u dat een hoog statutair tarief in combinatie met relatief veel grondslagversmallers kan resulteren in lage belastingen?   Antwoord vraag 2   Het klopt dat een hoog statutair tarief in combinatie met relatief veel grondslagversmallers kan resulteren in een laag effectief tarief. Vandaar dat de conditionele bronbelasting op rente en royaltybetalingen (en de aanvullende CFC-maatregel) idealiter van toepassing zou zijn op rente- en royaltybetalingen (en deelnemingen) die niet of tegen een laag effectief tarief worden belast. Bij de vormgeving van de bronbelasting dien ik echter ook rekening te houden met de uitvoerbaarheid. Het is uitermate complex om op basis van objectieve criteria een landenlijst samen te stellen met landen met een laag effectief tarief. In EU-verband wordt wel beoordeeld of sprake is van landen met een preferentieel schadelijk belastingregime. Hierdoor zal de conditionele bronbelasting ook van toepassing kunnen zijn op landen met een statutair tarief van 9% of meer. Het effectieve tarief van een individuele belastingplichtige is bovendien afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Hierdoor leent een effectieftarieftoets zich niet voor een benadering per land, maar meer voor een case-by-casebenadering. In zo’n benadering dient per rente- en royaltybetaling te worden berekend wat het effectieve tarief is van deze betaling bij de ontvanger. Oftewel bij iedere rente- en royaltybetaling aan een gelieerd lichaam zou de betaler moeten nagaan of deze betaling in voldoende mate wordt belast bij de ontvanger en zou de Belastingdienst op al deze betalingen toezicht moeten houden. Hiervoor zou veel en hooggekwalificeerde toezichtscapaciteit nodig zijn. Op basis van het statutaire tarief en de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties kan wel een lijst worden samengesteld. Deze lijst bevat veel jurisdicties die we in het spraakgebruik vaak als belastingparadijs aanduiden. Daarnaast verlaagt een lijst de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en vermindert het de uitvoeringscomplexiteit voor de Belastingdienst aanzienlijk. Indien er sprake is van een rente- of royaltybetaling aan een gelieerd lichaam dat is gevestigd in een land dat staat op deze lijst, is de conditionele bronbelasting verschuldigd. Hierdoor worden deze stromen naar verwachting effectief bestreden.   3   Is het gezien voorgaande vraag niet logischer om het effectieve tarief te hanteren in plaats van het statutaire? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord vraag 3   Zie antwoord op vraag 2.     4   Waarom wordt niet aangesloten bij de anti-winstdrainagebepaling in de vennootschapsbelasting (Vpb) en de reële heffingstoets van de deelnemingsvrijstelling, welke uitgaan van een effectief tarief van 10%? Waarom wordt niet aangesloten bij de ATAD-richtlijn (Anti Tax Avoidance Directive), specifiek de maatregel voor CFC’s (Controlled Foreign Companies), welke een grens hanteert van precies de helft van het tarief van de Nederlandse Vpb?   Antwoord vraag 4   In vergelijking met de voorgenomen bronbelasting op rente- en royaltybetalingen is de reële heffingstoets in de anti-winstdrainagebepaling van artikel 10a Wet Vpb 1969 en in de deelnemingsvrijstelling slechts in een beperkt aantal gevallen van toepassing. Een reële heffingstoets in de conditionele bronbelasting zou beoordeeld moeten worden voor alle rente- en royaltybetalingen aan gelieerde lichamen. Genoemd artikel 10a bevat een rentaftrekbeperking die gericht is tegen winstdrainage. De in dat artikel opgenomen reële heffingstoets ziet daarom enkel op rentebetalingen verschuldigd aan gelieerde lichamen die verband houden met een van de in dat artikel genoemde “besmette rechtshandelingen”. De reële heffingstoets in de deelnemingsvrijstelling ziet enkel op laagbelaste beleggingsdeelnemingen.   Hoewel ATAD1 de mogelijkheid biedt om bij de uitwerking van een CFC-maatregel op basis van model A aan te sluiten bij de helft van de effectieve vennootschapsbelastingdruk van een lidstaat is dat – ook voor de CFC-maatregel – om de bij in het antwoord op vraag 2 genoemde redenen onwenselijk. Aansluiten bij een statutair tarief van de helft van het tarief van de Nederlandse vennootschapsbelasting zou resulteren in een statutairtarieftoets van 12,5%. De landen met een statutair tarief tussen de 9% en 12,5% zijn in het algemeen niet de landen die in verband worden gebracht met belastingontwijking. Daarnaast zou dit resulteren in het opnemen van EU-lidstaten op de lijst met laagbelastende jurisdicties. Op basis van de vrijheid van vestiging en de rente- en royaltyrichtlijn is het echter in principe niet toegestaan om bronbelasting te heffen op rente- en royaltybetalingen aan lichamen die zijn gevestigd in een ander EU/EER-lidstaat     5   Waarom geldt de bronbelasting alleen bij betalingen aan gelieerde lichamen? Kunt u aantonen dat er geen belastingontwijking voorkomt bij betalingen aan niet-gelieerde lichamen? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord vraag 5   Het risico op belastingontwijking is groter binnen concernverhoudingen. Buiten concernverband is het risico op belastingontwijking kleiner, doordat de partijen op zakelijk basis met elkaar handelen. Dit betekent niet dat het risico op belastingontwijking buiten concernverband volledig is uitgesloten.   De keuze om de voorgenomen bronbelasting enkel van toepassing te laten zijn op rente- en royaltybetalingen aan gelieerde lichamen vindt zijn oorsprong dan ook in een andere reden. Door aan te sluiten bij het door het HvJ EU ontwikkelde criterium voor gelieerdheid, valt de maatregel volgens de jurisprudentie van dat Hof onder de reikwijdte van de vrijheid van vestiging. Indien voor een ander criterium zou worden gekozen waardoor eerder sprake zou zijn van gelieerdheid zou de conditionele bronbelasting vallen onder de reikwijdte van de vrijheid van kapitaalverkeer. Het EU-recht zou in dat laatste geval de mogelijkheden om bronbelasting te heffen aanzienlijk beperken. Dat komt omdat het vrije kapitaalverkeer, anders dan de vrijheid van vestiging, ook geldt ten aanzien van derde landen. In dat geval is het - kort gezegd – niet toegestaan zijn om rente- en royaltybetaling aan een lichaam in een laagbelastende jurisdictie nadeliger te behandelen dan een soortgelijke betaling aan een in Nederland gevestigd lichaam. Dit zou enkel toegestaan zijn als er sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die is bedoeld om belasting te ontwijken. Dit zou inhouden dat geen bronbelasting geheven zou mogen worden indien voldoende substance aanwezig is in het lichaam dat is gevestigd in de laagbelastende jurisdictie. Daardoor zou de bronbelasting een stuk minder vergaand worden en zou Nederland in voorkomende gevallen nog steeds een directe toegangspoort kunnen blijven voor stromen richting laagbelastende jurisdicties. Door de keuze om de bronbelasting alleen te heffen in gelieerde verhoudingen, kunnen alle rechtstreekse betalingen naar een gelieerd lichaam in een laagbelastende jurisdictie worden geraakt. Ongeacht of er wel of niet sprake is van substance in dat lichaam.   6   Is het logisch om de bronbelasting op dividend ook alleen toe te passen bij betalingen aan gelieerde lichamen, aangezien de Nederlandse belastinggrondslag als gevolg van dividenduitkeringen kleiner wordt, zowel in het geval van betalingen aan een gelieerd lichaam als in het geval van betalingen aan niet-gelieerde lichamen? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord vraag 6   Zie antwoord vraag 5. Overigens wordt de Nederlandse belastinggrondslag niet kleiner als gevolg van dividenduitkeringen. Dividenduitkeringen zijn immers niet aftrekbaar van de belastbare winst.     7   Kunt u uitleggen hoe de nieuwe bronbelastingen onder het bereik van de belastingverdragen vallen?   Antwoord vraag 7   In belastingverdragen maken landen afspraken over de verdeling van heffingsrechten. Deze afspraken zien niet alleen op belastingen die op het moment van sluiten van het verdrag bestaan, maar ook op (vergelijkbare) belastingen die later door een verdragsluitende staat worden ingevoerd. Als zodanig zal de nieuwe bronbelasting ook binnen de reikwijdte vallen van door Nederland gesloten belastingverdragen.     8   Is bekend hoeveel van de relevante tussenhoudsters nog niet voldoen aan de nieuwe substance-eis? Hoe wordt gecontroleerd dat ze voldoen aan de nieuwe eisen?   Antwoord vraag 8   De bronbelasting is nog niet in wetgeving opgenomen. Daardoor vindt op dit moment nog geen toezicht plaats door de Belastingdienst. Het is daarom op dit moment niet bekend hoeveel relevante tussenhoudsters niet voldoen aan de nieuwe substance-eisen. In het algemeen geldt dat de Belastingdienst via verschillende wegen informatie kan achterhalen om te toetsen of buitenlandse vennootschappen voldoen aan de substance-eisen. Dit kan bijvoorbeeld via het opvragen van informatie bij de betalende in Nederland gevestigde vennootschap, bij de ontvangende in het buitenland gevestigde tussenhoudster of bij de buitenlandse Belastingdienst.   9   Deelt u de mening dat de nieuwe substance-eis met het loonkostencriterium en het eigenkantoorcriterium geen grote hindernis is en dat het hierdoor gemakkelijk wordt de bronbelasting te omzeilen? Zo nee, waarom niet?   Antwoord vraag 9   Voor de voorgenomen conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen zullen substance-eisen naar verwachting alleen een rol spelen in de antimisbruikbepaling die ziet op indirecte betalingen aan een laagbelastende jurisdictie.   Deze antimisbruikbepaling kan ook van toepassing zijn op indirecte betalingen aan een laagbelastende jurisdictie via een lichaam dat is gevestigd in een andere EU/EER-lidstaat. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb uitgelegd, mag een rente- en royaltybetaling aan een lichaam dat is gevestigd in een andere EU/EER-lidstaat enkel worden belast met bronbelasting indien sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie die is bedoeld om belasting te ontwijken. De substance-eisen zijn de Nederlandse invulling van dit Europeesrechtelijke criterium. Daardoor kunnen de substance-eisen niet onbeperkt worden verhoogd. Immers indien dit tot gevolg heeft dat ook niet volstrekt kunstmatige constructies worden geraakt, is de regeling in strijd met het EU-recht.   Op basis van een arrest van het HvJ EU in een Duitse zaak zijn de huidige substance-eisen mogelijk in sommige gevallen al te strikt. Op basis van dit arrest moeten namelijk voor de vaststelling of sprake is van een kunstmatige constructie per concreet geval alle aspecten van het betreffende geval worden onderzocht en kan niet worden volstaan met het toepassen van vooraf vastgestelde algemene criteria. Daarom zal ook in Nederlandse antimisbruikbepalingen een aanvullende mogelijkheid worden opgenomen om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie.   Door het opnemen van deze aanvullende mogelijkheid is het in principe EU-rechtelijk toegestaan om de substance-eisen te verhogen. De substance-eisen fungeren immers nog slechts als een “safe harbor”. Belastingplichtigen die niet aan de substance-eisen voldoen, kunnen nog op andere wijze aannemelijk maken dat geen sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. Dit is een open norm waarin alle feiten en omstandigheden van het concrete geval worden meegenomen. Ik ben niet op voorhand een tegenstander van dergelijke open normen. Open normen leiden echter – zeker in de beginfase – tot meer rechtsonzekerheid. Dat is niet erg indien deze onzekerheid belastingplichtigen afschrikt om zich alleen vanwege fiscale redenen in Nederland te vestigen. Echter ook goedwillende belastingplichtigen zullen worden geconfronteerd met deze toegenomen rechtsonzekerheid. Bedrijven willen bij investeringsbeslissingen zo min mogelijk onzekerheid. Daardoor hebben open normen mogelijk een negatieve impact op ons vestigingsklimaat voor reële ondernemingen.   Bovendien zullen belastingplichtigen bij het doen van de aangifte een standpunt in moeten nemen op basis van deze open norm. Dat zal vanwege de rechtsonzekerheid leiden tot meer belastingplichtigen die vooroverleg willen met de Belastingdienst. Dit verhoogt de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst aanzienlijk. Ten slotte zal de Belastingdienst deze open norm moeten toetsen bij het vaststellen van de aanslag hetgeen ook leidt tot een toename van de uitvoeringskosten. Vanwege deze redenen en het feit dat Nederland met unilaterale maatregelen – ook met zwaardere substance-eisen - niet kan voorkomen dat andere landen zonder bronbelasting gaan fungeren als toegangspoort naar laagbelastende jurisdicties, ben ik zeer terughoudend met het verzwaren van de substance-eisen en als gevolg daarvan het vergroten van de rechtsonzekerheid.     10   Bent u bereid substance-eisen te ontwikkelen die niet kunnen worden aangeboden door trustkantoren? Zo nee, waarom niet?   Antwoord vraag 10   Bij de bronbelasting zien de substance-eisen op vennootschappen buiten Nederland. Het ophogen van deze substance-eisen zal dus weinig effect hebben op de trustsector in Nederland. Zoals ook is aangegeven in het antwoord op vraag 9 lopen we hier ook tegen de grenzen van het EU-recht aan.   Als een (buitenlands) trustkantoor dusdanige diensten aanbiedt waardoor niet langer sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie, kan op basis van het EU-recht geen bronbelasting worden geheven. Tot slot wil ik opmerken dat de substance-eisen zien op relevante substance. Zo dienen de bestuurders en het personeel de benodigde professionele kennis te bezitten om hun taken naar behoren uit te voeren.
  Datum: 26 november 2018    Nr: 2018D56489    Indiener: M. Snel, staatssecretaris van Financiën
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Kwint en Futselaar over de alarmerende omvang van het lerarentekort

Vragen van de leden Kwint en Futselaar (SP) aan de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over de alarmerende omvang van het lerarentekort. (ingezonden 25 juli 2018)     1   Kent u het bericht dat er scholen zijn die nog steeds niet voldoende leraren hebben voor aankomend schooljaar? 1) Wat is uw reactie daarop?   Ja. Het lerarentekort is in een aantal regio’s al goed merkbaar. In de brief over het lerarentekort die u recent heeft ontvangen zijn daarom extra acties aangekondigd, waaronder de inzet van aanjagers in de regio.   2   Hoeveel scholen, uitgesplitst naar primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs, hebben op dit moment nog vacatures openstaan voor aankomend schooljaar en komen dus leraren tekort? Indien u deze cijfers niet heeft, bent u dan bereid dit te onderzoeken gezien de urgentie van het probleem en om het lerarentekort op dit moment in kaart te brengen? Zo nee, waarom niet?   Het ministerie heeft geen actueel vacatureoverzicht. Dat is ook niet mogelijk, want vacatures komen en gaan en daarmee verandert de stand elke dag. Het monitoren hiervan zou een hoge administratieve druk bij scholen opleveren. Bovendien worden niet alle vacatures openbaar gemaakt.   We monitoren met de Arbeidsmarktbarometer wel het aantal online vacatures op jaarbasis. Daarnaast kijken we hoelang het duurt totdat vacatures worden vervuld. Bovendien worden we frequent op de hoogte gehouden van de stand van zaken door de verschillende onderwijsorganisaties.   Afgelopen november hebben wij de laatste jaarrapportage van de Arbeidsmarktbarometer naar uw Kamer gestuurd. Komend najaar zullen wij dat opnieuw doen.     3   Acht u het wenselijk dat scholen noodzakelijkerwijs uitwijken naar uitzendbureaus, die het lerarentekort als gat in de markt zien, en daarmee kostbaar onderwijsgeld niet naar het onderwijs zelf gaat, maar naar de bankrekening van deze dure uitzendbureaus? Zo nee, waarom doet u hier dan niets aan?   4   Hoeveel onderwijsgeld is er in de afgelopen vijf jaar terechtgekomen op de bankrekening van uitzendbureaus, dat dus niet aan extra handen in de klas of aan kleinere klassen kon worden besteed? Indien u deze cijfers niet heeft, bent u dan bereid dit te onderzoeken gezien de urgentie van dit probleem? Zo nee, waarom niet?   Antwoord op vraag 3 en 4:   Zoals wij hebben geantwoord op de Kamervragen van het lid Van der Hul (ingezonden 9 juli), de leden Kwint en Westerveld (ingezonden 9 juli) en eerder gestelde Kamervragen over commerciële organisaties, is het aan scholen zelf of zij gebruik maken van uitzendbureaus. Wat zich nu lijkt voor te doen is dat er uitzendbureaus zijn die de schaarste op de arbeidsmarkt voor primair onderwijs aangrijpen om de tarieven te verhogen. Dat is wat ons betreft niet wenselijk. Wij hebben niet precies inzicht in hoeveel geld besturen de laatste vijf jaar hebben uitgegeven aan uitzendbureaus. Het ministerie gaat hier wel meer volledige en betrouwbare gegevens over verzamelen.     5   Wat is uw reactie op het bericht dat het onderwijzend personeel als enige beroepsgroep het overwerk al vier jaar achter elkaar ziet toenemen en dat inmiddels 45% van de leraren zegt dat ze regelmatig moeten overwerken? Acht u dit wenselijk? En hoe verhoudt dit hoge percentage overwerken in het onderwijs zich tot het aantrekkelijker maken van het beroep van leraar om het lerarentekort in te dammen? 2)   Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de werkdruk in het onderwijs hoog is. Dat is niet wenselijk. Bestuurders en schoolleiders hebben een belangrijke rol bij het verlagen van de werkdruk. Zij zijn verantwoordelijk voor de organisatie van het onderwijs en goed personeelsbeleid. Het ministerie en de sociale partners hebben hiertoe onlangs het werkdrukakkoord gesloten waarmee invulling wordt gegeven aan de investering van het Kabinet om de werkdruk in het po te verlagen.   Daarnaast zijn wij positief over de afspraak in de nieuwe cao voor het voortgezet onderwijs dat leraren vanaf 1 augustus 2019 per jaar 50 uur ontwikkeltijd krijgen. Ook dit zal bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het beroep.     6   Hoe kijkt u aan tegen de organisatie van het onderwijs, waarin een leraar zo’n 900 uur bezig is met zijn leerlingen, terwijl dat in Finland bijvoorbeeld maar 600 uur is? Welke mogelijkheden ziet u om leraren meer tijd te geven naast het geven van hun lessen?   In overleg met het team kunnen scholen bekijken hoe zij het onderwijs zo organiseren om meer tijd te creëren voor docenten. Bijvoorbeeld door een aanpassing van de dagindeling, vakdocenten, meer taakdifferentiatie binnen een divers(er) team of een bepaalde inzet van de werkdrukakkoordmiddelen. Scholen maken hierin eigen keuzes, zodat het voor hen het beste werkt.   Wij bezien dit vraagstuk daarom in relatie tot werkdruk, het lerarentekort en de ruimte voor ontwikkeltijd. In overleg met de verschillende partijen in het veld bekijken wij ook de samenhang met (de vernieuwing van) het curriculum. Het curriculum hangt immers samen met de omvang van de onderwijstijd.   Het aantal onderwijsuren in Nederland en Finland is niet één op één met elkaar te vergelijken gezien de verschillen tussen beide landen. Zo verschillen bijvoorbeeld de startleeftijd en het curriculum. Wel maken wij gebruik van ervaringen in het buitenland, bijvoorbeeld bij het nadenken over de invulling van de onderwijstijd.     7   Welke actie(s) gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat leraren minder moeten overwerken, zodat het percentage leraren dat aangeeft regelmatig te moeten overwerken juist daalt in plaats van stijgt?   Zie het antwoord op vraag 5.   8   Klopt het dat studenten extra collegegeld moeten betalen als zij een tweede bachelor of tweede master in de zorg of in het onderwijs willen volgen en al een diploma behaald hebben in een van deze twee richtingen? Zo ja, wat is de gedachte hierachter? En waarom is ervoor gekozen deze twee richtingen samen te pakken? 3)   Ja, dit klopt. Wij verwijzen u naar de brief over lerarentekort die wij recent aan uw Kamer hebben gestuurd. Wij reageren in deze brief op de toezegging aan het lid Özdil over de kosten voor een tweede studie in de sectoren zorg en onderwijs.   9   Welke mogelijkheden ziet u om in ieder geval de instroom naar de Pabo en de lerarenopleidingen voor de tekortvakken voor mensen die al een bachelor in de zorg of het onderwijs hebben toegankelijker te maken, bijvoorbeeld door het verlagen van collegegeld?   In aanvulling op het antwoord op vraag 8, willen wij aangeven dat er wel alternatieve mogelijkheden zijn. Voor personen die eerder een ho-opleiding hebben afgerond en die al over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om direct voor de klas te staan, bestaat de mogelijkheid tot zijinstroom. Per zijinstromer kunnen schoolbesturen in aanmerking komen voor een subsidie van €20.000,- voor de begeleiding en scholings- en vervangingskosten. Personen die al in het bezit zijn van een onderwijsbevoegdheid en die een lerarenopleiding willen volgen voor een andere onderwijssector, kunnen hiervoor de Lerarenbeurs aanvragen. Omdat zij al een onderwijsopleiding hebben gevolgd komen zij in aanmerking voor instellingscollegegeld. Hier wordt in de lerarenbeurs rekening mee gehouden.     10   Wanneer kan de Kamer uw reactie op de brandbrief van de Onderwijsraad ontvangen met het plan om het lerarentekort zo snel mogelijk op te lossen en escalatie tegen te gaan, gezien de omvang en grote urgentie van het probleem dat ook blijkt uit de berichtgeving van de afgelopen weken?   Wij hebben u recent een brief over het lerarentekort gestuurd waarin wij onder andere een reactie geven op het betreffende advies van de Onderwijsraad.     1)https://fd.nl/economie-politiek/1260585/scholen-vechten-om-schaarse-leraren   2)https://nos.nl/googleamp/artikel/2242932-vooral-in-het-onderwijs-steeds-meer-overwerk.html?__twitter_impression=true   3)Trouw: ‘Torenhoge collegegelden’ (24 juli 2018)  
  Datum: 10 september 2018    Nr: 2018D43288    Indiener: A. Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Leijten over het anonimiseren van vermogen via een commanditaire vennootschap (CV)

  Geachte voorzitter,   Hierbij ontvangt u de antwoorden op de vragen van het lid Leijten (SP) aan de staatssecretaris van Financiën over het anonimiseren van vermogen via een commanditaire vennootschap (CV), welke ingezonden zijn op 13 juni 2018.   Hoogachtend,   de staatssecretaris van Financiën   Menno Snel   2018Z11207   Vragen van het lid Leijten (SP) aan de staatssecretaris van Financiën over het anonimiseren van vermogen via een commanditaire vennootschap (CV) (ingezonden 13 juni 2018)   1   Kent u het artikel ‘Anonimisering door de CV: een leeuwenvennootschap’? 1) Wat is uw reactie daarop?   Antwoord 1   Ja, ik ken het artikel “Anonimisering door de CV: een leeuwenvennootschap” van W.R. Kooiman en F.M. Witpeerd. Dit artikel is gepubliceerd in het Weekblad voor Fiscaalrecht (WFR). Het WFR is een van de fiscale tijdschriften om fiscaal wetenschappelijke artikelen te publiceren. Er wordt in het WFR op persoonlijke titel door de auteurs geschreven. In hun artikel beschrijven zij een aantal in hun optiek civielrechtelijke risico’s en gebreken van de commanditaire vennootschap (hierna cv) bij het opzetten van anonimiseringsstructuren en geven vervolgens aan wat naar hun mening de fiscale gevolgen daarvan zouden kunnen zijn.   In andere fiscale publicaties is inmiddels op dit artikel gereageerd, waarbij er ook andere fiscale invalshoeken genoemd worden. Die auteurs nemen afstand van voormeld artikel en plaatsen kanttekeningen en nuanceringen bij de opvattingen van Kooiman en Witpeerd.   Ik ben van mening dat deze meningsvorming voor het fiscale recht een goede zaak is en wil dan ook slechts aangeven dat de suggestie - die in het WFR artikel te lezen valt - dat de Belastingdienst zekerheid verschaft over anonimiseringsstructuren niet juist is. In de loop van 2015 is de zogenoemde vierde anti-witwasrichtlijn aangenomen. Anonimiseren staat op gespannen voet met de gedachte achter deze richtlijn. De Belastingdienst pleegt al bijna drie jaar geen vooroverleg over deze structuren. Dit laat onverlet dat op verzoek de wettelijk verplicht af te geven beschikking bij een fiscaal geruisloze aandelenfusie wordt afgegeven. Bij zo’n aandelenfusie blijft de inkomstenbelastingclaim (i.c. de aanmerkelijkbelangclaim) juist behouden. Deze anonimiseringsstructuren zijn niet opgezet om minder inkomstenbelasting te betalen, noch om het vermogen buiten het zicht van de Belastingdienst te krijgen. De structuur is veelal slechts gericht op het beschermen van de privacy van de vermogende(n) en zijn (hun) familie.   In het WFR artikel wordt de volgende manier van anonimiseren beschreven. De directeur-grootaandeelhouder (dga) ruilt zijn aandelen van zijn houdstervennootschap voor aandelen in een open cv, waarvan de beherend vennoot een stichting is met één bestuurder, namelijk de dga zelf. De dga is tevens de commanditair vennoot in de cv. Doordat de cv de naam van haar commandiet niet hoeft te publiceren in het handelsregister - dit in tegenstelling tot de dga als directe aandeelhouder van de bv – bereikt de dga de bedoelde privacy voor hem en zijn familie. Bij de verdere beantwoording ga ik uit van dit voorbeeld.   2   Hoe vaak komen casussen zoals die beschreven in het artikel, of daarmee vergelijkbare situaties, voor? Hoeveel geld is gestald in dergelijke structuren?   Antwoord 2   Zoals ik bij de vorige vraag heb aangeven wordt er geen vooroverleg over dergelijke structuren gevoerd en wordt er geen vermogen aan het zicht van de Belastingdienst onttrokken. Er is dan ook geen reden, noch een belang om bij te houden hoe vaak deze situaties voorkomen en om hoeveel vermogen het gaat.   3   Bent u het eens met de auteurs dat de publicatieplicht van artikel 18 van het Handelsregisterbesluit 2008 ook geldt voor het vermogen dat na het overeenkomen van de commanditaire vennootschap (CV) wordt ingebracht? Kunt u aangeven in hoeverre dit voorschrift in de praktijk wordt nageleefd?   6   Indien aan deze voorwaarde (zoals beschreven in vraag 3) niet wordt voldaan, wat betekent dit in de praktijk? Kunt u zo helder mogelijk omschrijven welke gevolgen het voor de vennoten heeft wanneer niet aan de voorwaarde wordt voldaan?   Antwoord 3 en 6   Op grond van artikel 18 van het Handelsregisterbesluit 2008 worden over een commanditaire vennootschap a) het aantal commanditaire vennoten opgenomen en b) het geldbedrag en de waarde van de goederen die de commanditaire vennoten gezamenlijk aan de vennootschap ter beschikking hebben gesteld of overeengekomen zijn ter beschikking te zullen stellen. Artikel 18 geldt ook voor het vermogen dat na het overeenkomen van de cv wordt ingebracht. Conform artikel 18, onderdeel b, wordt het ingebrachte vermogen van commanditaire vennoten bij inschrijving in het handelsregister opgenomen. Als er nieuwe commanditaire vennoten bij komen, of als de bestaande commanditaire vennoten afspreken extra geld of goederen aan de vennootschap ter beschikking te stellen, moeten deze wijzigingen worden doorgegeven aan de Kamer van Koophandel.   Artikel 19, eerste lid, Handelsregisterwet 2007 verplicht ertoe gegevens zodanig bij te werken dat zij te allen tijde juist en volledig zijn. De Kamer van Koophandel is daarvoor afhankelijk van de opgave door de vennootschap zelf. Indien hier niet aan voldaan wordt, vormt dit een economisch delict. Het ligt echter niet voor de hand dat in de in het WFR beschreven situatie de geregistreerde gegevens aanpassing behoeven. De dga brengt namelijk direct via de aandelenruil de waarde van zijn aandelen in het vermogen van de cv en deze waarde zal opgegeven worden.   4   Wordt in de in het artikel beschreven casus, of in daarmee vergelijkbare situaties, recht gedaan aan het principe dat de deelnemers de wil hebben op basis van een zekere mate van gelijkwaardigheid met elkaar samen te werken teneinde een bepaald doel te bereiken en het gemeenschappelijk behaalde voordeel met elkaar te delen? Kunt u uw antwoord toelichten?     5   Hoe luidt uw antwoord op de voorgaande vraag wanneer er sprake is van een maximeren van het winstaandeel van één van de vennoten dan wel het beperken ervan tot 0,1 of 0,01% van de winst?     Antwoord vraag 4 en 5   In algemene zin geldt bij een cv dat vennoten zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, met het oogmerk om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen. Vennoten zijn vrij om onderling afspraken te maken over wat zij inbrengen en op hoeveel winst zij recht hebben. De wet stelt wel een grens aan die vrijheid: een beding waarbij het voordeel geheel aan één vennoot wordt toegekend, is nietig. In voorkomende gevallen, zoals de casus die in het WFR artikel wordt geschetst, is het aan de rechter om te beoordelen of en in hoeverre is voldaan aan de wettelijke eisen.   7   Is de CV naar uw mening bedoeld om vermogen te anonimiseren? Kunt u uw antwoord toelichten?   8   Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de CV niet meer kan worden gebruikt om vermogen te anonimiseren?   Antwoord vraag 7 en 8   Zoals bij het antwoord op vraag 5 is aangegeven, is de cv een overeenkomst die is gericht op samenwerking tot een gemeenschappelijk doel om het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen en waarbij geld, genot van goederen en arbeid wordt ingebracht. Een stille vennoot levert inbreng aan de vennootschap, maar treedt niet naar buiten toe en is niet verbonden voor de schulden van de vennootschap. Bij een cv is de beherend vennoot volledig aansprakelijk en daarom hoeft uitsluitend de beherend vennoot bekend te zijn voor derden door middel van inschrijving in het Handelsregister; de stille (commanditaire) vennoot blijft naar buiten toe ‘stil’. De cv is vooral bedoeld om een investeerder de mogelijkheid te bieden te investeren in een bedrijf dat door een andere vennoot wordt geleid, zonder dat de investeerder meer kan verliezen dan zijn inbreng. In de praktijk wordt een cv bijvoorbeeld gebruikt om het bedrijf over te dragen aan de volgende generatie. Ook de cv als investeringsfonds of als joint venture van bedrijven is een praktische toepassing. Waarvoor de cv wordt gebruikt is, binnen de hiervoor gegeven omschrijving en binnen de grenzen van de wet, aan de vennoten zelf om te bepalen. Ik zie geen reden om de wet te wijzigen om de door de auteurs van het artikel geschetste situatie aan te pakken, temeer omdat transparantie van vermogensbestanddelen al wordt bereikt door de invoering van het zogenoemde UBO-register.   In relatie tot de Belastingdienst kan de cv niet worden gebruikt om vermogen te anonimiseren. Op grond van de fiscale regelgeving dient de beheers- en eigendomsstructuur van de cv alsook de omvang van het vermogen aan de Belastingdienst bekend te worden gemaakt. Mocht dit naar het oordeel van de inspecteur bij de behandeling van de aangifte onvoldoende uit de aangifte of andere aan hem overgelegde informatie blijken, dan kan de inspecteur op basis van de verplichtingen ten dienste van de belastingheffing, zoals opgenomen in de Algemene wet rijksbelastingen (artikelen 47 tot en met 56 AWR), op verzoek nadere informatie verkrijgen, mits deze informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van de cv, de vennoten dan wel zakelijk daarbij betrokken derden.   Civielrechtelijk bestaat de verplichting voor de cv om informatie over de beherende vennoten te registreren in het Handelsregister (artikel 17 Handelsregisterbesluit 2008). Deze informatie is openbaar.   Verdergaande transparantie inzake de zeggenschapsstructuur en eigendomsbelangen binnen de cv zal worden bewerkstelligd door het inrichten van een register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (ultimate beneficial owner, UBO) van in Nederland opgerichte vennootschappen en andere juridische entiteiten. Dit register van uiteindelijk belanghebbenden moet elke EU-lidstaat inrichten op grond van de – recent gewijzigde - vierde anti-witwasrichtlijn. Deze richtlijn beoogt onder meer te voorkomen dat natuurlijke personen zichzelf of hun vermogen kunnen verschuilen achter juridische entiteiten en juridische constructies. Het vergroten van de transparantie over wie bij een juridische entiteit of juridische constructie aan de touwtjes trekt, draagt bij aan het voorkomen van misdrijven zoals witwassen, onderliggende delicten zoals drugshandel, fraude en belastingontduiking, en het financieren van terrorisme.   Op dit moment wordt als onderdeel van de implementatie van de (gewijzigde) vierde anti-witwasrichtlijn gewerkt aan een wetsvoorstel dat voorziet in de totstandkoming van een UBO-register van vennootschappen en andere juridische entiteiten, waaronder personenvennootschappen zoals de cv. Dit UBO-register wordt een openbaar toegankelijk register voor de gegevens die ten minste op grond van de richtlijn dienen te worden bijgehouden. Dit betreft de naam, geboortemaand en –jaar, nationaliteit, woonstaat en aard en omvang van het door de uiteindelijk belanghebbende gehouden economische belang. Het register dient uiterlijk medio januari 2020 te zijn geïmplementeerd.   De definitie van wie als UBO wordt beschouwd, is voor de te onderscheiden juridische entiteiten, zoals de cv, uitgewerkt in het Uitvoeringsbesluit Wwft 2018. In de wet- en regelgeving met betrekking tot het inwinnen en bijhouden alsmede het centraal registeren van UBO-informatie zal bij dit besluit worden aangesloten.   Op basis van dit besluit zullen de natuurlijke personen die direct of indirect meer dan 25% van het eigendomsbelang houden in een cv of meer dan 25% van de stemmen of de feitelijke zeggenschap in een cv kunnen uitoefenen, als UBO worden aangemerkt. Indien commanditaire vennoten aan één van deze criteria voldoen, dienen van die commanditaire vennoten de UBO-gegevens te worden ingewonnen en bijgehouden alsmede centraal te worden geregistreerd. Als op basis van voormelde criteria geen natuurlijke personen als UBO kunnen worden aangemerkt, zullen bij wijze van uiterste terugvaloptie de beherend vennoot of vennoten van de cv als UBO worden aangemerkt.   9   Bent u bereid CV’s te verplichten jaarrekeningen op te stellen en deze bij de Kamer van Koophandel te deponeren? Zo nee, waarom niet?     Antwoord 9   Ik zie geen reden waarom het nodig zou zijn alle cv’s te verplichten een jaarrekening op te stellen. In anonimiseringsstructuren, zoals genoemd in het WFR artikel gaat het om een open cv. De open cv is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting en stelt in die hoedanigheid jaarstukken op voor de aangifte vennootschapsbelasting.   10   Hoe vaak wordt de CV gebruikt om de aanmerkelijkbelangheffing te ontlopen? Hoe gaat u dit lek dichten?   12   Wordt in de besproken casus naar uw mening het beheersverbod van artikel 20, tweede lid, Wvk overtreden? Zo ja, bent u het eens met de auteurs van voornoemd artikel dat deze overtreding leidt tot afrekening over de aanmerkelijk belang claim?   Antwoord vraag 10 en 12   Of het beheersverbod wordt overtreden is aan de rechter om te beoordelen. Deze zal dan in een individuele casus op grond van de feiten en omstandigheden hierover oordelen.   Artikel 20 lid 2 WvK bepaalt ‘Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht eener volmagt, (het ‘beheersverbod’). Bij overtreding van dit beheersverbod, is de commanditaire vennoot hoofdelijk verbonden voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit verbod en bijbehorende sanctie beogen te voorkomen dat een commanditaire vennoot aan het handelsverkeer deelneemt als ware hij beherend vennoot en aldus misbruik maakt van het rechtsgevolg dat is verbonden aan de hoedanigheid van commanditaire vennoot. Daarnaast kunnen derden door het optreden van een commanditaire vennoot in de veronderstelling worden gebracht dat zij van doen hebben met een beherend vennoot die verbonden is voor nakoming van de verbintenissen van de vennootschap.   Deze verboden staan er volgens de Hoge Raad niet aan in de weg dat de vennootschapsovereenkomst de commanditaire vennoten bepaalde (interne) zeggenschapsrechten toekent waarmee de commanditaire vennoot invloed kan uitoefenen op het beleid van de cv.   De achterliggende gedachte bij deze vraag is kennelijk dat een overtreding van het civielrechtelijke beheersverbod door de commanditaire vennoot gevolgen heeft voor de aanmerkelijkbelangheffing. Het overtreden van het civielrechtelijke beheersverbod door de commanditaire vennoot leidt er niet toe dat de (fiscaal niet-transparante) open cv wordt geherkwalificeerd tot een (fiscaal transparante) besloten cv. Of een cv in fiscale zin open dan wel besloten is, wordt beantwoord aan de hand van de (formele) criteria van artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de AWR. Dit betekent dat bij een overtreding van voormeld beheersverbod de open cv belastingplichtig blijft voor de vennootschapsbelasting en dat gerechtigdheid tot het kapitaal als een aanmerkelijk belang (box 2) blijft kwalificeren. Van een afrekenmoment voor het aanmerkelijk belang is geen sprake, laat staan van het ontlopen van de aanmerkelijkbelangheffing. Van een lek, zoals in de vraag gesuggereerd, is derhalve ook geen sprake.   De vraag kan nog opkomen of de commanditaire vennoot die het beheersverbod heeft overtreden als ondernemer in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt. Wil daaraan zijn voldaan dan moet eerst worden geconstateerd dat sprake is van een (materiële) onderneming in de zin van artikel 3.2 Wet IB 2001. Het (louter) houden van aandelen door de open cv zal veelal wel kwalificeren als het uitoefenen van een bedrijf, maar in zijn algemeenheid niet tot het drijven van een onderneming in vorenbedoelde zin. Maar ook ondernemerschap in vorenbedoelde zin leidt niet tot fiscale transparantie van de open cv. Zelfs al zou sprake zijn van een onderneming die voor rekening en risico van de voorheen commanditair vennoot wordt gedreven en de aandelen worden verplicht tot het ondernemingsvermogen gerekend, dan voorziet de Wet IB 2001 in een fictieve vervreemding die tot afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim leidt. Ook in zoverre is geen sprake van een heffingslek.   11   Wordt in de besproken casus naar uw mening voldaan aan de zogenaamde bedrijfseis uit artikel 16 van het Wetboek van Koophandel (Wvk)? Kunt u uw antwoord toelichten? Wat zijn de consequenties wanneer aan deze eis niet wordt voldaan?     Antwoord 11   Ik kan in zijn algemeenheid niet zeggen of in de beschreven anonimiseringscasus aan artikel 16 WvK is voldaan. Ook hier is het aan de rechter om dit in een voorkomend geval op basis van de feiten en de omstandigheden te beoordelen. Artikel 16 WvK bepaalt ‘De vennootschap onder eene firma is de maatschap, tot de uitoefening van een bedrijf onder eenen gemeenschappelijken naam aangegaan.’ Het gaat dan om het met winstoogmerk naar buiten treden ter verkrijging van inkomsten door handel in goederen, aangaan van handelstransacties en soortgelijke handelingen. Bij beroepshandelingen gaat het daarentegen om persoonsgebonden handelingen, zoals werk van intellectuele of kunstzinnige aard zonder grote investeringen. Een cv die voldoet aan de hiervoor genoemde omschrijving van bedrijfsactiviteiten is bijvoorbeeld een cv die investeert in de aankoop van bouwgrond, om deze bouwgrond vervolgens verder te (laten) ontwikkelen. Indien niet aan de eisen wordt voldaan, is geen sprake van een geldige commanditaire vennootschap. Afhankelijk van de omstandigheden kan sprake zijn van een maatschap of van een (andere) overeenkomst van eigen aard, zoals een overeenkomst van aanneming van werk.     13   Is de stichting beherend vennoot in de besproken casus naar uw mening fiscaal transparant? Zo ja, wat zijn de consequenties van deze fiscale transparantie? Hoe vaak heeft de Belastingdienst constructies als deze als fiscaal transparant beoordeeld?   Antwoord 13   Een stichting beschikt over rechtspersoonlijkheid. Voor de fiscaliteit is het uitgangspunt dat het zelfstandige karakter van de stichting wordt geëerbiedigd. Volgens fiscale jurisprudentie kan onder specifieke omstandigheden sprake zijn van transparantie van een stichting als de oprichtebestuurder gelet op de statutaire bepalingen van de stichting kan beschikken over het vermogen als ware het zijn eigen vermogen. Bij een onafhankelijk bestuur van de stichting zal fiscale transparantie niet aan de orde zijn. In de praktijk komt fiscale transparantie van stichtingen niet vaak voor.     14   Hoeveel belasting is of wordt misgelopen als gevolg van de beschreven constructie? Bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?     15   Hoe gaat u ervoor zorgen dat alle belastinginkomsten die mogelijkerwijs zijn misgelopen als gevolg van de beschreven constructie, alsnog worden geïnd?   Antwoord 14 en 15   In het antwoord op vraag 1 heb ik aangeven dat er geen inkomstenbelasting wordt misgelopen bij de beschreven structuur. Er is dan ook geen reden om dit te onderzoeken.   16   Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze constructie onmogelijk wordt gemaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?     18   In hoeverre maakt de komst van het register met informatie over uiteindelijk belanghebbenden (het UBO-register) de besproken structuur zinloos? Kunt u uw antwoord toelichten?   Antwoord 16 en 18   Zoals aangegeven bij vraag 8 bewerkstelligt de implementatie van de (gewijzigde) vierde anti-witwasrichtlijn - in het bijzonder de door de richtlijn vereiste inrichting van een verplicht openbaar toegankelijk UBO-register met accurate en actuele informatie over uiteindelijk belanghebbenden (UBO’s) in een juridische entiteit en het door hen in die juridische entiteit direct of indirect gehouden economisch belang -, een grotere transparantie inzake zeggenschapsstructuren en eigendomsbelangen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat natuurlijke personen zichzelf of hun vermogen kunnen verschuilen achter juridische entiteiten (zoals cv’s, stichtingen of bv’s) of juridische constructies. De te registreren UBO’s zijn altijd natuurlijke personen.   In de casus zoals die beschreven is in het onder vraag 1 vermelde artikel gaat het om een commanditaire vennoot die voor meer dan 25% gerechtigd is tot de winst van de cv en uit dien hoofde via het eigendomsbelang onder de reikwijdte van het UBO-begrip valt. Verder is de beherend vennoot van de cv een stichting waarvan diezelfde commanditaire vennoot persoon bestuurder is. Als enig bestuurder van de stichting heeft hij als zodanig de feitelijke zeggenschap over de stichting. Dit maakt hem tot UBO van de stichting en daarmee indirect tevens tot UBO van de via de stichting beheerde cv. In beide gevallen dienen van die commanditaire vennoot UBO-gegevens te worden ingewonnen en bijgehouden alsook centraal te worden geregistreerd door de cv.   17   Klopt de bewering dat het belangrijkste product in de adviespraktijk momenteel het opzetten van structuren is om de omvang van vermogen verborgen te houden? Zo ja, wat vindt u hiervan en welke actie gaat u hiertegen ondernemen? 2)     Antwoord 17   Ik heb geen inzicht in de “producten” van dienstverlening en advisering van de pluriforme adviespraktijk. Daarom kan ik daar geen uitlatingen over doen. De bewering dat het opzetten van cv-structuren het belangrijkste adviesproduct zou zijn, komt volledig voor rekening van degenen die die uitlating hebben gedaan.   19   Is het waar dat de meeste van deze structuren zijn opgezet met medeweten van de Belastingdienst? Zo ja, hoe verklaart u dit? 2)     20   Deelt u de mening dat de Belastingdienst nimmer mag meewerken aan het opzetten van structuren die tot doel hebben vermogen te anonimiseren en/of belasting te ontwijken? Zo ja, hoe gaat u hier zorg voor dragen?     Antwoord vraag 19 en 20   In het antwoord op vraag 1 heb ik aangegeven dat de Belastingdienst al bijna drie jaar geen vooroverleg aangaat over deze structuren die gericht zijn op anonimiseren. Onderdeel van een anonimiseringsstructuur is veelal een aandelenfusie. De wet biedt echter de belastingplichtige expliciet de mogelijkheid om zekerheid vooraf te verkrijgen over het al dan niet van toepassing zijn van de aandelenfusiefaciliteit. Indien de belastingplichtige hiervoor kiest, moet de Inspecteur, op basis van de wet, beslissen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Er is geen aanleiding hier een wijziging in aan te brengen. Temeer omdat deze wettelijke bepaling is gebaseerd op de fusierichtlijn.   21   Welke andere manieren of structuren zijn u of uw ministerie bekend die tot doel hebben vermogen te anonimiseren? Kunt u een beschrijving geven van de bekende structuren?     Antwoord 21   In het antwoord op de eerste vraag heb ik het voorbeeld uit het betreffende WFR artikel aangehaald. Dit is in essentie hoe de structuur doorgaans wordt opgezet. In de varianten op deze structuur wordt in plaats van een stichting als beherend vennoot ook wel een besloten vennootschap met een paar aandeelhouders (meestal familieleden) opgericht. En in plaats van de beschreven open cv, kan ook gebruik gemaakt worden van het zogenoemde open fonds voor gemene rekening of in Nederland gevestigde naar buitenlands recht opgerichte rechtsfiguren die vergelijkbaar zijn met de cv of het open fonds voor gemene rekening.   22   Bent u bereid de Kamer actief te informeren wanneer het ministerie of de Belastingdienst een nieuwe structuur die het anonimiseren van vermogen en/of het ontwijken van belasting faciliteert ontdekt alsmede de Kamer actief te informeren over de reparatie die u zult toepassen om deze structuren te stoppen? Kunt u uw antwoord toelichten?     Antwoord 22   In het hiervoor gegeven antwoord heb ik de essentie van de structuren die gericht zijn op anonimiseren beschreven. Ik heb in de voorgaande antwoorden ook aangegeven dat de Belastingdienst niet in vooroverleg treedt over anonimiseringsstructuren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet registratie uiteindelijk belanghebbenden van ondernemingen en rechtspersonen zal deze structuur naar mijn mening haar aantrekkelijkheid verliezen. Ook over andere of nieuwe anonimiseringsstructuren zal de Belastingdienst geen vooroverleg voeren. Informeren van de Tweede kamer hierover is dan ook niet aan de orde.   1) weekblad fiscaal recht, 2018/78   2) https://fd.nl/economie-politiek/1254991/belastingclaim-dreigt-voor-vermogende-particulieren
  Datum: 13 juli 2018    Nr: 2018D39627    Indiener: M. Snel, staatssecretaris van Financiën
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Helikopterpiloten gaan rekening houden met stallen Automobilist hindert voorrangsvoertuig De Betere Wereld - YouTube Aanrijding Hoogvliet (video Duivestein) Kijk Uit: Wederzijds begrip

18 Sep 15 In Finansies, Rekening Bestuurder is 'n program wat in staat stel om sy of karige verdienste deur wyse uitgawes te bestuur, tydige spaargeld en suksesvolle investments.This inligting is dus geskik vir enige persoon wat wil finansiële vryheid sowel finansiële stabiliteit te... Met rekening-courant bedoel ik in dit kader de rekening van hetgeen de bestuurder en de rechtspersoon per saldo aan elkaar verschuldigd zijn. Indien een grootboek wordt bijgehouden dan is er een aparte grootboekrekening betreffende de rekening-courantverhouding. Indien een bestuurder bijvoorbeeld privé kosten laat betalen of een privé opname doet ten laste van het saldo van de bankrekening ... De Brusselse politierechter heeft een bestuurder veroordeeld die zich eind vorig jaar vastreed op de tramsporen aan de halte Lemonnier in Brussel. Dat meldt La Libre. Een bestuurder is immers niet altijd een natuurlijke persoon. Wanneer een rechtspersoon bestuurder is, is zij vertegenwoordigd door een zogenaamde vaste vertegenwoordiger. Hieronder gaan we meer concreet in op de wijzigingen waarmee een vaste vertegenwoordiger rekening dient te houden. Verbod van cumulatie en cascade Wanneer een bestuurder of ander vertegenwoordigingsbevoegd persoon namens een vennootschap aan tafel zit worden hun verklaringen gezien als verklaringen van de rechtspersoon. Daartegenover staat in beginsel ook dat wanneer een partij een verklaring afgeeft aan de bestuurders van een rechtspersoon (de daadwerkelijk contractspartij), deze verklaring wordt gezien als een verklaring die de ...

[index] [5104] [5389] [5076] [5595] [658] [2152] [6255] [2490] [1492] [3510]

Helikopterpiloten gaan rekening houden met stallen

De Betere Wereld toont filmpjes die inspireren en informeren over de vele duurzame initiatieven die plaatsvinden. Kijk hier voor het laatste nieuws op gebied... Echt duurzaam transport is onze visie. Door voortdurend nieuwe technologieën en hernieuwbare brandstoffen te onderzoeken en te ontwikkelen streven we ernaar om die visie in de realiteit om te ... Als bestuurder van het bedrijf kan je je altijd uitschrijven uit het handelsregister, ook al ben je de enig bestuurder. Hoe er wel rekening mee dat je daarvan vooraf de aandeelhouder en het ... Trader24 se Rekening Bestuurder, Shane Olivier, verduidelik hoe om die web-platform effektief te gebruik. Ons bespreek ook die opleiding bronne wat beskikbaar is. Ons bespreek ook die opleiding ... We houden er misschien te weinig rekening mee, maar de emotionele toestand van de bestuurder beïnvloedt zijn rijgedrag en dat kan extra risico’s met zich mee...

#